In Memoriam Jean Trappeniers (13/1/1942 – 2/11/2016) – RW

Jean Trappeniers won met Anderlecht àlles wat er te winnen viel. Hij was in de jaren zestig de keeper van het ‘Football Champagne’ – elftal met onder meer Paul Van Himst, Jan Mulder, Wilfried Puis en Jef Jurion: zes landstitels, één beker en een verloren Uefacupfinale. Men zou denken: zo’n man komt op zijn 31 ste nog wat uitbollen bij Antwerp. Vooral omdat hij voornamelijk tijdens de avonduren door Guy Thys onder handen werd genomen want hij weigerde zijn job op te geven. En toch liet Jean Trappeniers ter zake aan de duidelijkheid niets te wensen over. Hij beleefde zijn beste jaren op de Bosuil, van 1973 tot 1979. Met liefst 220 wedstrijden op zijn actief: vicekampioen in 1974 en 1975 en bekerfinalist in 1975 en halve finalist in 1974.

Dit soort tijden hebben ze bij Antwerp de voorbije halve eeuw niet beleefd.

Ik sprak in het najaar van 2013 met hem in functie van het boek ’90 Jaar Bosuil. Vreugde & verdriet van Royal Antwerp Football Club’ en ontmoette een joviale mens, met het hart op de tong. Voor de gelegenheid brengen we hier dus zijn ‘Antwerpverhaal’. Een andere kijk meteen op de doelman die er met uitstekende prestaties tegen Spanje en Joegoslavië voor zorgde dat de Rode Duivels zich na zestien jaar nog eens konden kwalificeren voor een wereldbekereindronde: Mexico 1970. Bondscoach Raymon Goethals verkoos daar de nog jonge Christian Piot boven Jean Trappeniers. Die vond dat tot op het einde van zijn leven onterecht, zo bleek toen uit ons gesprek.

 

Getekend na een leugentje om bestwil van de voorzitter

 Jean Trappeniers: ‘Antwerp was de mooiste tijd van mijn loopbaan. In de jaren zestig stond ik tien jaar onder de lat bij het gouden Anderlecht. Alles was in het toenmalige Astridpark te vanzelfsprekend. Daarom verkies ik mijn Bosuilperiode van 1973 tot 1979. In 1970 werd Constant Vanden Stock de grote baas op Anderlecht. Ik zei tegen mijn vrouw: ‘Dat gaat hier niet lang duren’. Eerder botste ik met hem omtrent een premie bij de nationale ploeg, waar hij de touwtjes van de selectie in handen had. Blijkbaar vergat hij zoiets niet want Anderlecht gaf me tien dagen om een transfer te regelen.  De vader van mijn vrouw, Felix Welkenhuyzen, maakte in de jaren dertig deel uit van het fameuze elftal ‘Union 60′, dat zestig wedstrijden op rij niet verloor. Hij had nog steeds een belangrijke functie bij Union en haalde me binnen. De trainer die mij in het Dudenpark verwelkomde, heette Guy Thys.

We verstonden elkaar uitstekend maar in 1973 degradeerden we. Guy sprak altijd hetzelfde zinnetje voor de match: “Jean, als gij ze allemaal pakt, dan hebben we match nul. Zorgt gij dat het deksel op de pot blijft.” Dan ontspon zich een merkwaardig spel tussen de Antwerpvoorzitter Wauters, Guy Thys en mezelf. Antwerp polste me voor een overgang maar ik werkte voor een schroothandelaar en reed elke dag tussen mijn woonplaats Dilbeek en de legerbasis van Koksijde, waar onze firma vliegtuigen ontmantelde. Ik dacht er dus niet aan om deze zekerheid voor Antwerp te laten staan. Ik liep mijn ex-collega van Anderlecht Paul Van Himst op het lijf: “Ha, je hebt voor Antwerp getekend?” Ik zei: “Niet zo snel hoor, waar haal je dat?” Van Himst had dit gehoord van Urbain Braems, de trainer van Antwerp die intussen naar Anderlecht zou gaan. Niemand was daarvan verder op de hoogte maar Van Himst raadde me aan: “Pak de telefoon, bel met Wauters en vraag het hem op de man af.” Eddy Wauters ontkende het verhaal en beweerde dat Guy Thys met hem een akkoord had gesloten en voegde er ook aan toe dat die had aangedrongen op mijn komst. Ik koos tenslotte toch voor Antwerp. Een dag later kreeg ik ook Guy Thys aan de lijn: “Wauters bevestigde dat jij had getekend. Ik had dat nog niet gedaan maar toen ik dat vernam, heb ik het contract geaccepteerd.” Dat noemen ze dus een leugentje om bestwil: Eddy Wauters had ons beiden wijsgemaakt dat we voor elkaar hadden gekozen – wat niet waar was – en zo haalde hij ons allebei binnen. Klinkt allemaal een beetje ingewikkeld? Dat was het ook maar geen van ons drie heeft het zich beklaagd.’

 

‘Ge moet maar twee matchen winnen: tegen Beerschot’

 Jean Trappeniers: ‘Ik tekende mijn contract in de bestuurskamer van de Bosuil. Ik keek een beetje op van de Antwerpse mentaliteit. Ik kreeg meteen te horen: “Ge moet maar twee matchen winnen: tegen Beerschot.” Ik trok grote ogen. Mijn eerste match op de Bosuil? Een miskleun. Ik liet een bal glippen en we verloren van KV Mechelen. Heel dat stadion keerde zich tegen mij: “Voale Brusseleir, goa terug no hoas’. Ik heb wat te horen gekregen toen. Enkele weken later nodigde een bestuurslid me uit in de oude binnenstad. Hij toonde me daar een halve huizenrij: “Die zijn allemaal van mij. Denk daaraan als ge tegen Beerschot speelt.” De boodschap was duidelijk. In mijn eerste Bosuilderby wonnen we met 3-0. Toen ik enkele maanden later op het Kiel voor de kwartfinale van de Beker ongeveer alles pareerde en we van 2-0 naar 2-3 gingen tijdens de verlengingen, heb ik dat jaar geen enkele pint meer moeten betalen in de Antwerpcafés. Niet te geloven hoeveel volk er op onze thuismatchen afkwam: telkens tussen 15000 en 20000 mensen. Na een slechte start naderden we op kousenvoeten. En op de laatste speeldag deden we zowaar mee voor de landstitel. Bij winst van Antwerp en verlies van Anderlecht zou het geklonken zijn. Helaas bezocht Anderlecht Beveren. Met mijn ervaring wist ik dat wij geen kans maakten, want dat die partij ‘geregeld’ zou worden. Meer dan 30000 fans geloofden er wel in maar we bleven steken op 2-2 tegen Club Brugge en eindigden tweede.’

 

De slimme mens Guy Thys

 Jean Trappeniers: ‘Mijn trainer bij Antwerp was Guy Thys. De latere bondscoach gedroeg zich als een slimme mens. Ik had mijn rol bij hem: die van klankbord. Wauters nodigde hem elke week uit op zijn kantoor voor een ‘gesprek over voetbal’. Dan kwam hij blazend op me af: “Amai, hij heeft wat gezegd vandaag.” Wauters trachtte Thys te beïnvloedden. Thys deed alsof hij Wauters volgde maar wierp dan op het einde op: “Dat is waar mijnheer de voorzitter, maar heb je deze speler als eens bezig gezien? Die kan dat en dat en dat en dat kan den ‘dieje’ dan weer niet.” En zo liet hij Wauters met de mond vol tanden staan, terwijl hij hem aanvankelijk gelijk had gegeven. Guy Thys stond bekend om zijn tactische inzichten maar hij liet zich ook dingen influisteren door de spelers. Hij heeft heel snel geleerd van zijn idee af te stappen als dat niet het beste was. Dat is op zich klasse want je moet zoiets kunnen toegeven. Niet iedereen kan dat, ik zie Mourinho het niet doen.

Thys probeerde steeds uw problemen op te lossen. Hij gedroeg zich als een psycholoog, die tussen roerige watertjes kon zwemmen. Hij legde het op zo’n manier uit dat je aanvaardde dat je concurrent het doel verdedigde en dat jij content was dat je op de reservebank mocht zitten. Zijn geluk bij Antwerp: stabiliteit. Voorzitter Wauters haalde een reeks ervaren voetballers binnen die elders waren ‘afgedankt’ wegens ‘te oud’: zoals ikzelf, Frans Vermeyen van Lierse en de Luxemburger Louis Pilot van Standard. Rare snuiter die Pilot, hij sprak iedereen aan met ‘monsieur’ maar schoffelde u even later onder het gras als hij het nodig achtte. Onder het trainerschap van Thys behoorde Antwerp tot de Belgische top. Dankzij de kwaliteiten van Karl Kodat. Ik vond hem beter dan Rob Rensenbrink. Ik beschouw Kodat als een internationale topper. Hij had last van heimwee en gedroeg zich zeer timide. Thys stelde hem op zijn gemak, gaf hem vaak ‘vrijaf’ op de trainingen en stuurde me op hem af om iets te gaan drinken. Zo werden we vrienden en voelde hij zich minder eenzaam. Ik was graag op de Bosuil en speelde er veel goede wedstrijden tegen onder meer Beerschot – ik had mijn les snel geleerd – en tegen Anderlecht, daar had ik geen motivator voor nodig. Ik won drie jaar na elkaar de trofee van de ‘Gouden Voetballer’ van Gazet van Antwerpen. Journalisten en lezers hadden evenveel stemrecht om de beste voetballer van de provincie te kiezen. Ik liet dus spelers als Riedl, Kodat en Lozano achter mij.’

 

 Vanden Stock vreesde Wauters

 Jean Trappeniers: ‘Ik zes vijf jaar bij Antwerp gebleven onder invloed van Eddy Wauters. Hij was goed voor mij, maar ik ook voor hem. Hij deed in het begin een geste. Omdat ik me op zijn vraag opnieuw had laten selecteren voor de kern van de nationale ploeg, kreeg ik elke match een financieel extraatje. Hij bleef me dat geld lang geven want hij kon dat er terug uithalen bij internationale vriendschappelijke wedstrijden. Dan dreef hij de prijs een beetje op door naar mijn positie te verwijzen. Op mijn 35 ste was ik vrij maar hij liet me bijtekenen aan dezelfde voorwaarden plus tien procent. Hij wist wat ik waard was. Als het niet draaide, dan krijg hij op zijn donder. Hij kende mijn visie: een voetballer is als een acteur. Je werkt voor het publiek, voor de mensen die je komen aanmoedigen. Als die niet komen, dan kan ik niet meer spelen want zij zorgen dat je wordt betaald. In die tijd begon dat op te komen: ikke, ikke, ikke. Als de rest niet met ikke wil spelen, raakt ikke ook geen bal. Voetbal is een collectieve sport en Wauters zag dat ik me volledig gaf voor het elftal. Ik vond hem een zeer goede voorzitter. Hij wou van Antwerp een topclub maken, dat was zijn grootste wens. Hij kreeg echter veel interne tegenstand van de oude garde in de bestuurskamer. En van Anderlecht want Vanden Stock vreesde hem omdat hij wist dat Wauters verstandiger was dan hij. Hij dacht dat Antwerp op een bepaald moment de belangrijkste rivaal zou worden van Anderlecht. En dus dwarsboomde hij hem op alle mogelijke manieren.’

Raf Willems

 

About Author

Leave A Reply