125 Jaar Club Brugge: het fantastische ‘volgasvoetbal’ van Ernst Happel, 19/11/1925-14/11/1992 (4) – RW

Deze maand viert Club Brugge feest: blauw & zwart bestaat 125 jaar. Te bezichtigen met een prachtige EXPO in het Brugse Belfort. Op 19 november 2016 zou Ernst Happel 91 jaar kunnen geworden zijn. De coach overleed aan kanker op 14 november 1992. Hij is de belangrijkste trainer uit de geschiedenis van Club. Hij veranderde in de jaren zeventig het aanzien met zijn aanstekelijke spelstijl. Die begeesterde duizenden fans van de Westhoek tot de Maaskant. In zijn beste tijden stond blauw & zwart synoniem voor aanvallen, risico, meer goals maken dan de tegenstander, snelheid, techniek, powerplay, beweging. ‘Volgasvoetbal’ kortom, zoals dat tegenwoordig wordt genoemd. Tussen 1975 en 1978 klonk de naam van Club in Europa als een klok: drie landstitels (1976, 1977, 1978), een bekerzege tegen Anderlecht (1977), twee halve finales (1976, 1978), twee Europese finales tegen FC Liverpool (1976, 1978) en een kwartfinale (1977). De uit Wenen stammende Happel putte uit drie voetbalstijlen: de Hollandse positionele dominantie, de Oostenrijkse individuele kwaliteit en de Duitse conditionele collectiviteit. Ziedaar het blauwzwarte evangelie: aanvallen, met spektakel voor haar publiek. Dat publiek – het beste van België – spiegelde zich aan de Engelse supporterssfeer met zijn samenzang en ambiance. In vier afleveringen schets ik een portret van Ernst Happel: op zoek naar de wonderjaren van de ‘Wiener Weltmeister’ en impressies bij het leven van het sombere voetbalgenie.

  

Aflevering 4: Wenen, Ringstrasse, Kaffeehaus

 De Ringstrasse is de bloedlijn van Wenen. Traditie en moderniteit ontmoeten elkaar in de vele koffiehuizen tussen de geschiedkundige gebouwen. Op het marmeren tafelblad

staat voor mij het glaasje water naast de Pharisaër: een zwarte koffie met slagroom en likeur. In das Kaffeehaus werd destijds pittig geredetwist over politiek, muziek én voetbal. Dat inzicht geeft het naslagwerk Mehr als ein Spiel. Fussball und populäre Kulturen im Wien der Moderne (1997) van Roman Horak.

 

Voetbal als culturele levensader van het oude Wenen

Voetbal was een culturele levensader van het oude Wenen. Geen enkele stad ter wereld telde twaalf topclubs. Tussen 1926 en 1938 ontspon zich de krachtmeting om de Mitropa Cup, de voorloper van de Champions League. In acht van de twaalf afleveringen drong een vereniging uit de Weense metropool tot de finale door en vier keer juichten soms tot 80.000 toeschouwers om het goud. Tegen deze achtergrond rijpte Ernst Happel. Op zoek naar de bal als vervangmiddel voor het gebrek aan ouderliefde. Zelfs de zestig voorbij, scheen het nog aan hem te knagen. Hij torste de eenzaamheid van de einzelgänger.

Ernst Franz Hermann Happel is het kind geweest van Karoline Nechiba en een onbekende vader. Ze trouwde met ene Franz Happel, van wie hij de naam erfde. Het was een huwelijk zonder hartstocht en het strandde op zogenaamde ‘dronkemanseden’. Klaus Dermutz klinkt formeel: “Een harmonieus gezinnetje heeft hij niet gekend. Hij zag zichzelf als een slachtoffer en was ook bijzonder boos en diep ontgoocheld in zijn ouders. Zijn grootmoeder – van Tsjechische afkomst – nam hem als vierjarige jongen onder haar hoede. Ze werkte als marktkramer in de regio van de stad waar arbeidersclub Rapid rekruteerde. Hij ontdekte het voetbal op straat, het haalde hem uit zijn isolement. Hij heeft dus een Tsjechische kiem in zich. Het voetbal van de Wiener Schule was ook een sport van migranten, die hen de kans gaf tot erkenning en integratie. De beroemdste was zijn held Matthias Sindelar, de vedette van het eerste Wunderteam toen Oostenrijk pronkte met het predikaat van beste voetbalnatie. Van die Sindelar imiteerde hij met een tennisballetje de goochelarij. Hij verzamelde van hem twintig plakboekprentjes die hij tijdens de koude oorlogswinters verkocht om zich voedsel te verschaffen.”

 

De rotjongen weigerde mee te zingen met de Hitler Jugend

Die Tweede Wereldoorlog lieten sporen na. De Anschluss van 1938 veranderde de Weense samenleving. Oostenrijk werd opgeslorpt door het nationaalsocialistische Duitsland. Klaus Dermutz pleegde grondig onderzoek naar de kwajongensjaren van Ernst: “Wie bij Rapid wilde blijven voetballen, werd automatisch lid van de Hitler Jugend. Happel sprak duidelijke taal tegen mij. Ich war nicht für das Regime. Hij trachtte de nazi’s op de zenuwen te werken. Bij zangstonden van de Hitler Jugend weigerde hij mee te zingen en hij hield dit vol tot men hem aan de deur zette. Daardoor kreeg hij niet de noodzakelijke teamstempels om te voetballen: der Ernst wurde der Stempel nach diesen Zwischenfall verweigert.” In zijn zonderlinge taaltje verklapte hij aan zijn latere biograaf: Ich war ein Rotzjunge wie man sagt. Hij wilde niet in de pas lopen. In 1943 belandde hij noodgedwongen aan het Oostfront. Hoewel hij nooit heeft gevochten, werd hij in 1945 gearresteerd door de Amerikanen. Hij ontsnapte met een trein vanuit München, net als in de film: instappen aan de ene kant, uitstappen via de andere deur. Hij deed maanden over zijn terugtocht naar Wenen en hij smokkelde zich met een smoes langs de Russische zone: “Ich habe schon won Weiten gesehen dass das Haus noch steht und ich hab’bei Rapid wieder angefangen zu spielen.”

Happel kon de Weense atmosfeer niet missen. Hij hield van het kaartspel in zijn favoriete koffiehuis. Hij maalde er niet om tien uur in de wagen te moeten doorbrengen vanuit Hamburg, Brugge of Rotterdam, in het vooruitzicht met zijn vrienden naar oude, schuine caféliederen te luisteren. Voor de kosmopoliet Happel bleef de hang naar de heimat heilig.

 

Een Wembleyanekdote van Birger Jensen

Ik dacht opnieuw een anekdote van Birger Jensen. Hij memoriseerde aan de finale van Club Brugge tegen Liverpool (1-0) op Wembley in 1978, waar hij alles stopte behalve die ene bal: “In de kleedkamer leek het op een begrafenis. Omdat we zoveel geblesseerden hadden, konden we ons eigen dominante voetbal niet brengen. Dat wisten we vooraf want we geraakten amper aan elf fitte spelers. Happel begreep dat beter dan wie ook. Blijkbaar koesterde hij om die reden geen enkele illusie over Wembley. Hij gedroeg zich veel losser. We waren al de maandag in Londen maar we zagen hem pas op woensdagochtend. Dan wisten we het wel. Hij gaf me na afloop een vriendelijk tikje tegen het hoofd. Ik wist dan dat hij tevreden was over mij maar de nederlaag zat hem dwars. Hij gromde maar wat. We hadden samen onvergetelijke ogenblikken beleefd en samen Club Brugge op de Europese kaart gezet. Het was als een expeditie geweest. Ik stak toen een sigaret op om mijn emoties op orde te krijgen. Daar deed hij niet flauw over. Hij hoestte zelf de hele kleedkamer bij elkaar. Ik dacht hem op het einde toch een beetje te kennen. Ik heb veel in mijn voetballeven van hem geleerd maar hij was toch een raar mannetje hé?”

 

De eenzaamheid van de Einzelgänger

Klaus Dermutz attendeerde nog even op de slotindruk die dat rare mannetje Happel bij hem naliet. Hij citeerde hem op een markante wijze: ‘Ik wil mijn eigen baas zijn. Van niemand afhankelijk. Wanneer ik niet meer vrij zou zijn, dan heb ik geen leven meer.”

De eenzaamheid van de Einzelgänger: dat was het droeve lot van de Weense Weltmeister, het sombere voetbalgenie.

Raf Willems

 

About Author

Leave A Reply