Hoe Union Afrika in brand stak – gastauteur Kurt Deswert

C’est l’Union qui sourit; een geschiedenis in vogelvlucbt van Union Saint-Gilloise, Belgiës grootste club voor wereldoorlog II.

Waarschijnlijk lopen er niet zo bijster veel mensen meer rond die op de slotdag van het seizoen 1972-73 een jonge Guy Thys verslagen in de dug-out zagen zitten nadat hij met Union Saint-Gilloise naar tweede was gezakt. Vier jaar lang had de latere bondscoach de Brusselse club van de degradatie weten te redden. Hij steunde daarbij vooral op voormalig Anderlechtkeeper Jean Trappeniers. In dat laatste seizoen had ‘den Trap’ er maar 30 binnengelaten. Maar, zijn onmondige ploegmaats hadden er ook maar … 17 gemaakt. En dus zakte ‘den Union’, op dat moment op Anderlecht na de club met het meeste aantal landstitels, onherroepelijk uit eerste klasse. Om er nooit meer terug te keren…

Ondanks een stevige nederlaag tegen Lierse deze week, doet Union het dit seizoen uitstekend in Play-off 2. De ploeg profiteert maximaal van de onderschatting van de eersteklassers, maar heeft ook een uitstekende trainer – de ploeg staat goed- en het heeft het seizoen goed ingepland. Iedereen was fysiek klaar om uit te blinken tijdens de eindronde.

Na 44 jaar keert Union zo terug in de nationale tv-spotlights. En dat is mooi, voor dé traditieclub van ons land, want meer nog dan Beerschot of Antwerp FC is Union een levend monument: de grootste club van ons land voor Wereldoorlog II.

Een palmares hebben is mooi, maar zegt niet alles. Naast de 11 landstitels – één meer dan Standard, even veel als Antwerp en Beerschot samen – liet Union ook op andere manieren haar sporen na in de (voetbal)geschiedenis. Dat van die 60 wedstrijden zonder nederlaag doet bij de meesten vaag nog wel een belletje rinkelen. Tussen 8 januari 1933, een 2-2 thuis, tegen het Lierse SK van Bernard Voorhoof, en 10 januari 1935, een 2-0 nederlaag tegen stadsrivaal Daring uit Molenbeek, bleef de ploeg maar liefst 60 wedstrijden ongeslagen. Net onvoldoende om het wereldrecord (62 wedstrijden) van Celtic Glasgow te kloppen, maar toch ruim genoeg om voortaan voor eeuwig als ‘Union Soixante’ door het leven te gaan. Het 2-0 verlies luidde tot een heuse volkstoeloop in de straten van Brussel. Daringsupporters trokken met een lijkwagen die Union voor moest stellen, door de wijken van Molenbeek. De rivaliteit tussen beide clubs kende toen één van zijn vele vooroorlogse hoogtepunten. Het was een kamp tussen het Noorden en Zuiden van onze hoofdstad; tussen Marolliens en ‘dei van Meulebeik’.

De tweestrijd inspireerde toneelschrijvers Paul Van Stalle (Unionist) en Joris D’Hanswijck tot het schrijven van “Bossemans en Coppenolle”, een ravissante klucht vol Brusselse zwans die in 1938 en nog lang nadien volle zalen trok, zowel in Brussel maar ook in de grote theaterzalen van Parijs. Het stuk wordt nog steeds met succes gespeeld en is deel gaan uitmaken van de Brusselse identiteit én van de Belgische nostalgie naar een tijd toen Brussel nog ‘een bruisende stad’ was. (Nvda. Zoals nog steeds hoor; laat u niks wijksmaken.) Eén van de personages, de verarmde Brusseles Amélie Van Beneden, ‘Madame Chapeau,’ – zo genoemd door “dei kadees van maain strotje’- kreeg zelfs een standbeeld in de Brusselse Zuidlaan.

Op dat ogenblik had Union al een mooie reputatie in het buitenland. Die had de club te danken aan een schare internationale wedstrijden die ze had gespeeld sinds het begin van de 20ste eeuw. De meest bijzondere was misschien wel die op 25 mei 1904, toen het in Parijs een galawedstrijd speelde tegen een (officieuze) Franse nationale ploeg[1] ter ere van de oprichting van de kersverse FIFA. Match die zonder al te veel moeite door de Unionisten met 1-3 werd gewonnen.

In die periode nam Union verschillende keren deel aan internationale toernooien, zoals de Coupe Vanderstraeten-Ponthoz, één van de (zeer) verre voorlopers van de Europabekers, met ploegen uit België, Frankrijk, Duitsland, Nederland en amateurteams uit Engeland. De competitie werd drie keer gewonnen. Het deed de Franse krant La Croix in 1909 besluiten dat Union “une des plus fortes équipes du continent” was en dat het kon concurreren met de beste ploegen uit de Engelse competitie.

Een beetje overdreven. Twee jaar voordien had het tijdens een vriendenmatch nog met … 8-1 van Tottenham Hotspur verloren. Maar dergelijke berichten toonden wel aan dat de ploeg een bepaalde reputatie genoot. Naast haar eigen teamprestaties bezorgden ook haar spelers de club de nodige luister. In het nationale elftal dat in 1920 Olympisch voetbalkampioen werd, stonden maar liefst vijf Unionisten. Eén van hen, Louis Van Hege, had er tegen dan al een imposante buitenlandse carrière opzitten bij … AC Milan. Tijdens datzelfde tornooi deed het Unionstadion trouwens dienst als Olympisch voetbalstadion[2]; het heeft de bijzondere eer de eerste officiële wedstrijd van de Spaanse nationale ploeg gehuisvest te hebben.

Voor Union eindigde de glorie eigenlijk na de reeks van 60 wedstrijden zonder nederlaag. De laatste titel werd in 1935 gehaald. Er was nauwelijks aan opvolging gedacht. Ook de geblesseerde linksachter die men in 1938 transfereerde van bij de buren van Anderlecht, ene … Constant Vanden Stock, kon daar niets meer aan veranderen. Hij zou wel jarenlang een boon bewaren voor zijn oude ploeg.

Na de tweede wereldoorlog schommelde Union een tijdje tussen eerste en tweede. Het herwon een zeker elan in de jaren vijftig. Onder voorzitterschap van Emile Hanse, oudvoetballer van de club en kapitein van het Olympische kampioenselftal, werd er gewerkt aan de heropbouw. De ploeg werd rondom de magistrale aanvallende middenvelder Paul Van den Berg geconstrueerd. Van den Berg, ‘de Bleke Artiest’ genoemd, was een sublieme voetballer; de elegantste voetballer die ooit op de Belgische velden ronddartelde.

Met hem in de ploeg dook Union opnieuw Europa in. Het werd uitgenodigd – zo ging dat toen nog – voor verschillende edities van de Beker der Jaarbeurssteden. Tijdens haar eerste deelname reikte het al meteen tot in de halve finales, nadat het komaf had gemaakt met AS Roma. Het was de eerste keer dat een Belgische ploeg zo ver geraakte in een Europese bekercompetitie. Daarna zette het verval, financieel en sportief, onherroepelijk in.

Als er echter één reden is waarom Union voor eeuwig het etiket van cultclub verdient, dan is het wel omwille van de wedstrijd die het in de zomer van 1957 speelde tijdens haar eindeseizoenstournee in Belgisch Congo. Tijdens een zeer druk bijgewoonde wedstrijd in Leopoldville ( het latere Kinshasa) tegen een lokale selectie zorgde het voor een mijlpaal in de voetbalgeschiedenis. En een uitwaaierende golf in de vaderlandse geschiedenis… Niet alleen was het de eerste keer dat een blank elftal het opnam tegen een volledig uit Congolezen bestaand elftal ( waarin onder andere Leon Mokuna meedeed), maar bovenal zorgde de 4-2 winst voor de nodige verhitte gemoederen. De ruim 60.000 toeschouwers konden het maar moeilijk verkroppen dat de Europese scheidsrechter twee Congolese doelpunten af had gekeurd wegens vermeend buitenspel.

Na de wedstrijd, toen de Unionisten het publiek wilden gaan groeten, liep het danig mis. De spelers kregen stenen naar het hoofd gesmeten. Maar wat daarna buiten het stadion gebeurde, tartte elke koloniale verbeelding. Massale rellen braken uit in de wijk rond het stadion. Het smeulende Congolese vuurtje was door de voetbalmatch tot een heuse vuurstorm uitgebroken. Er vielen 132 gewonden. Een vijftigtal wagens, voornamelijk met Europese nummerplaat, werden vernield. De voetbalrellen zouden het eerste gewelddadige conflict worden in de Congolese onafhankelijkheidsstrijd. Heel Midden-Afrika zou de daaropvolgende jaren in opstand komen tegen de koloniale machthebbers. En dat alles dankzij een voorzet van de traditieclub uit Sint-Gillis…

[1] Dit volgens een artikel verschenen op de website van de RTBF dat voor een verslag van de wedstrijd verwijst naar een editie van de Franstalige sportkrant ‘Le Sportman’ van 27 mei 1904. Franse kranten geven weinig commentaar op de wedstrijd. Er wordt gemeld dat Union het opnam tegen de ploeg van de ‘Société D’Encouragement’, een vertegenwoordigend elftal ongetwijfeld, maar het is onduidelijk of het hier over het ‘nationale’ elftal van Frankrijk ging.

[2] Het Jules Ottenstadion in Gent was ook één van de stadions waar de Olympische voetbalcompetitie doorging.

About Author

Leave A Reply