Johan Cruijff: een halve eeuw voetbalverbeelding

Klik hieronder voor de PDF

DWD Cruijff

Johan Cruijff zou op 25 april 2017 zijn zeventigste verjaardag hebben gevierd. De dag kreeg toch een feestelijk tintje omdat Ajax en de stad Amsterdam hadden besloten om de Amsterdam ArenA om te dopen in Johan Cruijff Arena. Op 30 april was het precies vijftig jaar geleden dat hij zijn eerste landstitel met Ajax won na een 2-3 zege bij Fortuna’54. Kleine correctie: op papier zijn tweede. In 1966 was hij nog vaak een veredelde invaller maar in 1967 had hij het seizoen helemaal naar zijn hand gezet: Nederlands topschutter met 33 goals, de eerste dubbel voor Ajax als bekerwinnaar én landskampioen met het – tot vandaag overigens – record van het aantal doelpunten in de competitie: 122. Bovendien vernederde Ajax in de Europacup der Landskampioenen het Liverpool van Bill Shankly met 5-1. Over hem schreef de Ajaxkroniek toen al: ‘Hij gebruikt zijn mond teveel om hardop te zeggen wat hij denkt.’ En om de alomtegenwoordigheid van Cruijff helemaal te benadrukken: de KNVB benoemde deze week het duo Dick Advocaat-Ruud Gullit tot nieuwe bondscoaches. Beiden stonden niet bekend als liefhebber van voetbal van Cruijff en worden dus op hun beurt door de ‘Cruijffisten’ op de korrel genomen. J.C. is nooit weg! Tijd dus voor een herinnering, een ode en een stilleven over een halve eeuw Cruijffiaanse voetbalverbeelding.

De herinnering

Ik ben Johan. Hij keek me lachend aan en reikte me de hand. Ik twijfelde even. Was dit echt? Het was echt. We keken uit op het Olympisch Stadion van Amsterdam, waar ik als opgroeiende jongen Johan Cruijff tussen 1969 en 1973 fantastische opvoeringen zag dirigeren. Op de zwartwitbeelden van onze krakende televisie wel te verstaan. Het was de tijd van de drie Europacups van Ajax: Atletico Madrid (3-0), Celtic Glasgow (3-0), Arsenal (2-1), Benfica Lissabon (1-0), Bayern München (4-0), Real Madrid (2-1). We zagen het allemaal ‘live’ op Studio Sport. Met tussendoor ook de kers op de taart: 3-0 tegen de Argentijnse schoppers van Independiente. Winnaar van de Wereldbeker voor Clubs. Het passeerde allemaal door mijn hoofd tijdens mijn route richting Amsterdam.

En nu, een dikke dertig jaar later, stond ik met hem oog in oog. Want het kantoor van zijn Cruyff Foundation was gevestigd in het oude stadion.

Ik overhandigde hem het eerste exemplaar van mijn boek ‘Kan Voetbal de Wereld Redden? Pleidooi voor ambiance en solidariteit’. En tevens een enveloppe met een symbolisch steunbedrag van 250 euro. Ik nodigde de lezer uit om mijn voorbeeld te volgen en de Cruijff Foundation te steunen. In mijn boek wijdde ik een heel hoofdstuk aan hem. Ik beschreef de activiteiten van zijn Stichting en schreef een opinie over zijn invloed op het voetbal, in en naast het veld. Ik noemde het: ‘De Vier Cycli van Johan Cruijff’. Omdat het boek in 2004 verscheen eindigde de vierde cyclus met een vraagteken. Die had Cruijff net ingezet door de kandidatuur van Joan Laporta te steunen, die vervolgens dankzij zijn invloed werd verkozen tot nieuwe voorzitter van FC Barcelona. Hij suggereerde Laporta eerst Frank Rijkaard als trainer en later Pep Guardiola als diens opvolger. Hoe het afliep, weten we allemaal: Barça werd het volgende decennium het beste elftal van de wereld met vier zeges in de Champions League. Spelers als Messi, Xavi en Iniesta voetbalden volgens het evangelie van J.C., maar gemoderniseerd door P.G.

Ik groeide op met Gouden Eeuw van de Hollandse School (1969-1978). Die ademde helemaal de geest van Johan Cruijff: kritische geest, ogenschijnlijke nonchalance, lange haren en heerlijk avontuurlijk voetbal. Daaraan dacht ik toen ik hem de hand mocht schudden. En hij stelde zichzelf dus voor als: ik ben Johan.

De ode

In het gidsen van de wereld naar beter en genotsvol voetbal heeft Johan Cruijff een grensverleggende rol gespeeld. Op drie momenten in de moderne voetbaltijden tekende hij de breuklijn uit. Met het totaalvoetbal van Ajax en het Nederlands Elftal, 1967-1974, brak hij de hegemonie van de Zuideuropese en Britse topclubs in de Europacup voor Landskampioenen. Hij diste een vernieuwende en aanvallende voetbalfilosofie op: de Hollandse School was geboren.

Als coach keerde hij opnieuw het tij (1987-1994). Hij kweekte Marco van Basten tot zijn sierlijke opvolger en kneedde Barcelona’s Dream Team, dat de saaie defensieve en collectieve krachtsystemen van respectievelijk Duitse, Engelse en Italiaanse makelij in de periode 1975-1990 op hun nummer zette. Intuïtie, losbandigheid, creativiteit en avontuur waren weer toegestaan op het veld.

Na zijn carrière als coach (1997-2004) drukte Cruijff de harde en louter op het eigen voordeel gerichte voetbalwereld met de neus op de feiten. Tegen de stroom in startte hij met zijn Cruyff Foundation, een stichting die vanuit de sport stimulansen geeft aan initiatieven uit de welzijnszorg, de gehandicaptensector en de ontwikkelingssamenwerking. En die vooral met de Cruyff Courts – de aanleg van voetbalveldjes in verwaarloosde buurten – voor nieuw leven heeft gezorgd.

Het stilleven

De val van Johan Cruijff is een stilleven waard. Zijn negen beroemdste baltoetsen? In de eerste zestien seconden van de finale van de wereldbeker op 7 juli 1974 dribbelde hij gracieus – men vergeleek hem terecht met de Russische balletdanser Nurejev – tot in het strafschopgebied van West-Duitsland. Daar zweefde hij over het been van Hoeness. Penalty, het snelste doelpunt uit de geschiedenis van het WK. Het mondiale kijkerspubliek genoot via de televisie – toen nog niet vanzelfsprekend – van het totaalvoetbal van de Hollandse School. Cruijff glorieerde met ongrijpbare rondo’s, stiftertjes en buitenkantjes. Hij demonstreerde tijdens Weltmeisterschaft 1974 op briljante wijze zijn hele filosofie van schaduwspits-spelmaker: de bal leggen waar niemand hem verwacht, de creatie van de open ruimte voor zichzelf en de anderen. Het brein stuurde de benen, met het wijzende vingertje in de lucht. Johan Cruijff gidste met Ajax sinds 1967 de wereld naar genotsvol voetbal. Dichters wijdden hun beste poëzie aan hem, de soepelheid van zijn pirouettes vergeleek men met de penseelkunst van Rembrandt. Nederlands bekendste cursiefjesschrijver Nico Scheepmaker ontleedde hem in het cultboek Cruijff, Hendrik Johannes, Fenomeen en lijstte hem in als ‘beter dan Pelé’. Literatuurliefhebbers en intellectuelen uit de zogenaamde Amsterdamse grachtengordel keken niet langer neer op het ‘ordinaire spel’ maar zagen dankzij Cruijff plots verwantschap tussen het artistieke en het voetbal. In de stijl van de jaren zestig bracht hij de voetbalverbeelding aan de macht en ontwierp het Ajaxisme: een leerstelling met een serenade aan de schoonheid vanuit de elementen versnellende creativiteit, ongegeneerde bluf en snijdende slidings. De bal bleef op harmonieuze wijze in het elftal circuleren, de Ajacieden straalden met hun lange haar een soort mystieke wijsheid uit en over het stadion daalde een ontspannen sfeer neer. De toeschouwers verkeerden in trance als gevolg van de beeldende bewegingskunst. De flair van Cruijff sloeg over op de rest van het elftal. Hij verzamelde rond zich een uitzonderlijk getalenteerde generatie die hij vanuit zijn inzicht en charisma naar een hoger niveau dirigeerde. Dirigeren, dat zeker, want hij zocht ook toen al het laatste woord in de vaak scherpe discussies met medespelers als Krol, Haan, Suurbier, Hulshoff, Neeskens, Mühren, Keizer, Swart en Rep. Ajax veroverde drie Europacups voor Landskampioenen (1971, 1972, 1973) en één Wereldbeker voor Clubs (1972). Cruijff en co gedroegen zich als rocksterren. Men sprak over ‘voetballende Rolling Stones’ vanwege de sixtieskapsels en spijkerbroeken van de Ajacieden. Terwijl de Amsterdamse auteur Jan Cremer met zijn geschriften over vrije seks als angry young man de burger schokte, trapte het Ajax van Cruijff tegen de conservatieve bobo’s aan. Ik, Jan Cremer, Wij, Ajax. De vrijheidstraditie van Amsterdam kreeg er een voetbalvariant bij. Cruijff was niet alleen een kind van zijn tijd, hij gaf die tijd ook vorm. Hij zocht het conflict met de macht en ruziede over schoenen, verzekeringen, blessurebehandelingen en contracten. Want dat was zijn eerste paradox: hij hanteerde enerzijds een romantische visie op de vertolking van het spel maar naast het veld vertaalde hij het leven in geld. Met zijn typische uitspraak: ‘Ik wil geen dief zijn van mijn eigen portefeuille.’ Hij eiste inspraak in het commerciële circuit. Deze hervormingsdrang behoorde ook tot het programma van de Cruijffrevolte. Paradox twee: terwijl de meesten van zijn ploegmaats in de geest van Mei 68 experimenteerden met relaties en roesmiddelen – Ajax gaat kapot aan drank en vrouwen schreef de sensatiepers – gedroeg hij zich als de klassieke familieman. Danny Coster bleef zijn ene grote liefde, met wie hij wèl vaak op de scooter door de stad raasde: hij met zonnebril, zij in minirok.

Zijn negen beroemdste baltoetsen in de eerste zestien seconden van de finale in 1974 leidden zijn einde in. Nederland greep onverwacht en onverdiend naast het wereldgoud. Hij zou nadien geen enkele internationale prijs meer winnen. Op 7 juli 1974 was hij dus zowel op als over zijn hoogtepunt. Ziedaar paradox drie: de nederlaag leidde het ontstaan van het Cruijffismo in want de wereldopinie bewonderde zijn Oranje. De val van Johan Cruijff, in alle sierlijkheid zwevend over het maaiende been, is dus een stilleven waard.

About Author

Leave A Reply