Sympathie voor Real

 

Real Madrid. Ik durf de naam van deze club nauwelijks uit te spreken. De kans dat ik overspoeld word met kwetsingen, beledigingen en vuilspuiterij is aanzienlijk. Of ik word gewoon gewoon weggezet als dom, sterker: iemand zonder verstand van voetbal. Je moet van Barcelona houden – of van Ajax. Dat getuigt in het voetbalwereldje van gezond verstand. Nu, ik doe het toch maar. Dan maar geen verstand van voetbal. Ik schreeuw het hier uit: ik sympathiseer met Real Madrid. Ik hoop dat zaterdagavond Real voor de twaalfde keer de Europa Cup voor landskampioenen wint – sinds twee decennia de Champions League genoemd.

Over smaak en liefde kun je lang twisten. Maar mijn gevoel blijft mijn gevoel. Pas op, ik ben geen supporter van Real Madrid. Ik ben een sympathisant, die in de wedstrijden waarin Real uitkomt diep van binnen partij kiest voor de Madrilenen. Niet omdat het mooiste voetbal (Wat is dat eigenlijk? Wie heeft dat als voorwaarde bedacht?) door Real zou worden gespeeld. Dat doen ze namelijk lang niet altijd. Als de Koninklijke voetbalt, voetbalt het elftal (door wie ook gecoacht) binnen haar mogelijkheden om te winnen.

Het voelt nu als een verklaring, sterker als een verontschuldiging, dat ik doorgaans sympathieën koester voor Real Madrid. Alsof ik moet uitleggen dat ik niet van vis houd en dat ik een meisje liefheb dat niet de mooiste van de klas is. Waarom? Waarom niet? Eenvoudigweg omdat het mijn eigen smaak is, mijn gevoel is waardoor ik me laat leiden. Mijn zintuigen wijzen sinds mijn jongste jeugd (mogelijk zelfs sinds mijn geboorte) mij de weg in het leven. Misschien niet de juiste weg en de mooiste weg. En zeker niet de weg die anderen nemen. Het is wel mijn weg, aangegeven door mijn vader. Zoals wel meer vaders hun zonen de weg wijzen. Voordat je het weet heb je hun weg gekozen.

In juni 1958 hadden wij thuis nog geen televisie. Mijn vader keek bij de buren naar voetbal. Ik keek bij een vriendje op zaterdagmiddag naar de FA Cupfinal. Toen de finale van het WK tussen Zweden en Brazilië gespeeld zou worden, haalde mijn vader me over mee naar de buren te gaan. ‘Dan zie je negers voetballen en die kunnen beter voetballen dan blanken. Die verdedigers maken nooit overtredingen. In de aanval staat een jochie van 17, fantastisch, Pelé heet hij. Dan loopt er een lange neger rond, die kan echt voetballen, Didi, en als rechtsbuiten loopt een manke voetballer die nog beter is dan Stanley Matthews. Ze noemen hem Garrincha.’ Ik zag het aan en was overweldigd. Altijd bleef ik sympathieën koesteren voor Brazilianen. Ik moest er later naar toe. Ik moest de ziel van Braziliaanse voetballers blootleggen. Dat heb ik als voetbalverslaggever gedaan. Ik was er eind jaren negentig voor het eerst en zag een droom werkelijkheid worden.

Kort na het WK in 1958 was ik lid geworden van de plaatselijke voetbalclub. Op een woensdagmiddag kregen wij als jeugdspelers een keer voetbalfilms voorgeschoteld in het Verenigingsgebouw. Een van de films ging over Real Madrid, dat toen al drie keer de Europa Cup had gewonnen. Ik zag op de zwartwitbeelden acties die ik alleen Brazilianen had zien ondernemen. Ik zag een Real-speler een ongeëvenaard doelpunt maken. Hij stond met zijn rug naar het doel, liet de bal door zijn benen rollen en veranderde op het laatste moment met zijn hak de richting van de bal: doelpunt. En zo zag ik meer acties en doelpunten die mij in vervoering brachten.

De man van de toen door mij als geniaal bestempelde actie heette Alfredo Di Stefano. Rondom hem speelden Francisco Gento, Ferenc Puskas, Raymond Kopa, José Santamaria en anderen, gehuld in witte broeken, witte shirts en witte kousen. Ze speelde in mijn jongens ogen goddelijk. Ik wilde mijn hele leven voetballen in het smetteloos wit. Toen ik zeven jaar later in het eerste elftal van mijn club mocht debuteren, speelden we vaak in het wit (helemaal wit). Onze clubkleuren waren rood-wit gestreept. Ik voelde me koninklijk, helemaal in het wit (zonder reclame), zwarte schoenen (de strepen had ik met zwart overgepoetst). Ik wilde Real Madrid zijn, eigenlijk wilde iedereen in dat elftal dat. Real Madrid zijn, dat gaf je een onoverwinnelijk gevoel.

Wit, wit, wit, koninklijk wit. Dat was het voetbal waar ik van droomde. Al moet gezegd dat de Brazilianen, voor zover ik die (op televisie) kon zien voetballen in mijn jeugd, mij ook hadden kunnen bekoren. Mijn vader was mijn zielsverwant. Hij sprong overeind bij Gento, vloekte bij een schot van Puskas en kraaide het uit bij een actie van Di Stefano.

In het voorjaar van 1962 (ik was 13 jaar) werd in Amsterdam de finale van de Europa Cup tussen Real Madrid en Benfica gespeeld. Ik had in de plaatselijke krant vernomen dat Benfica op de Wageningse Berg logeerde en trainde, vijf kilometer van mijn huis. Ik sprong op de fiets, besteeg de Wageningse Berg en zag de sterren van Benfica schitteren tijdens de training. Ik posteerde me achter het doel van Costa Pereira, de keeper van Benfica. Eusebio, Coluna, Aguas en Augusto produceerden kanonskogels. De ballen die naast het doel gingen haalde ik op (in een gevecht met andere bewonderaars) en plaatste die keurig met de binnenkant van de voet terug naar de Benfica-sterren. Na afloop kwam Eusebio met een grote lach op zijn gezicht naar me toe en aaide me over mijn hoofd, als dank voor mijn inspanningen. Het was duidelijk: Benfica zou de volgende dag mijn favoriete ploeg zijn.

Zo keken we naar de finale. Mijn vader was voor Real Madrid (met de toen al 36-jarige Di Stefano), ik voor Benfica. En ja hoor, Benfica won, met 5-3. Ondanks drie doelpunten van Puskas. Maar Eusebio forceerde met twee doelpunten in de tweede helft de beslissing. Ik was blij, mijn held had gewonnen. En zo ben ik nog altijd een beetje sympathisant van Benfica.

Maar het wit van Real bleef fascineren. Altijd speelden er fantastische voetballers. Soms ook harde en smerige verdedigers, zoals Camacho, bijgenaamd ‘het scheermes’. Ach, een scheermes als wapen kan ook fascinatie oproepen. Je moet het maar doen én durven. Ook dat is sinds het ontstaan voetbal. Het hoort er bij. Ik kan opgewonden raken van fabuleuze acties van artiesten, maar ook van vernietigende tackles. Dat is voor mij opwinding. Natuurlijk denk ik bij zulke grove acties: oei! Maar hij is wel van de club die ik graag zie winnen. De mantel der liefde verhult veel.

Zaterdag is de finale Real Madrid-Juventus. In 1998 was ik er als verslaggever getuige van hoe Real in de Amsterdam Arena Juventus versloeg. Daags voor de wedstrijd was ik samen met enkele andere journalisten uitgenodigd om samen Di Stéfano met Gento de lunch te gebruiken. Het lukte mij aan tafel tegenover ‘de blonde pijl’ te gaan zitten. Terwijl Di Stéfano de ene sigaret na de andere opstak en het ene glas witte wijn na het andere dronk, vroeg ik hem wie hij de beste voetballer aller tijden vond. ,,José Manuel Moreno’’, zei Di Stéfano kort en nam meteen een slok. Moreno bleek de rechtsbinnen van River Plate, die Di Stéfano altijd van de beste passes voorzag.
Na de lunch liep het gezelschap rond Di Stéfano en Gento over de Amsterdamse grachten naar een fanshop van Real Madrid die door de oude sterren geopend zou worden. Geen mens die de oude meesters herkende. Di Stéfano keek tijdens de wandeling nauwelijks om zich heen en mompelde op mijn verzoek wat over de verloren finale van 1962 in Amsterdam tegen Benfica. Gento zag een leeg blikje cola liggen en begon wat dribbels te demonstreren. Waarop Di Stéfano eindelijk lachte en zei: ,,Paco (de bijnaam van Gento).”

Di Stefano overleed in 2014. Dankzij hem blijf ik sympatisant van Real Madrid. Ik heb na hem talloze sterren zien schitteren, in het Koninklijke wit. Ik was bij wedstrijden in het Bernabeustadion toen de Nederlanders Leo Beenhakker en Guus Hiddink er trainer waren. Ik genoot van Butragueno, Michel, Hugo Sanchez, Amancio, Sanchis, Redondo, Roberto Carlos, Ronaldo, Raul, Figo, Zidane en vele anderen. Ik zag als verslaggever een aantal Europese finales met Real Madrid en altijd was ik voor Madrid. Zoals nu, hoe sterk Juventus ook is. Ik hoop op prachtige acties van het middenveld Modric, Kroos en Isco, op de kwikzilverige aanvallende verdediger Marcelo, op Benzema, vanzelfsprekend op Cristiano Ronaldo en op het souvereine, soms keiharde verdedigen van Ramos – geen betere verdediger dan Sergio Ramos.

Maar bovenal hoop ik dat Zinedine Zidane de winnende coach wordt. De Fransman die eens als speler van Juventus excelleerde en vervolgens bij Real Madrid deed wat een speler van de Koninklijke wordt geacht te doen: schitteren. Ik hoop dat mijn smaak de goede is. Ik kan er niets aan doen. Het is mijn smaak en het is mijn gevoel dat mij naar het wit van Real Madrid dreef. Of het nu de rijkste club ter wereld is, of de club met de meeste schulden, dan wel de club die niet altijd het mooiste voetbal speelt – wat dat ook is. Het is Real Madrid, de club die mijn smaak vormde. Mocht het niet lukken, dan zal ik niet lang treuren. May the best team win.

Guus van Holland (1948) werkte als sportjournalist van 1976 tot 2013 voor de Volkskrant en NRC Handelsblad. Hij is onafhankelijk publicist met interesse voor sport, geestelijk welzijn en boeddhisme.

About Author

Leave A Reply