4-3. Veertig jaar na de legendarische bekerfinale Club – Anderlecht

Fragment uit ‘Mijn blauwzwart hart’, de autobiografie van Birger Jensen

Op 11 juni 1977 was het even warm als vandaag. Maar de context zag er heel anders uit. Precies veertig jaar geleden betwistten Club Brugge en RSC Anderlecht elkaar de finale van de Beker van België. Wie herinnert zich dat Club en Anderlecht tussen 1975 en 1978 tot de Europese top vijf behoorden? Die dag toonde Club in een onderling duel wie de sterkste was. Ik noteerde in 2011 het levensverhaal van Birger Jensen in ‘Mijn blauwzwart hart’. Het boek opende met dit hoofdstuk.

4-3, HEIZEL, 11 JUNI 1977

Club Brugge – Anderlecht, finale Beker van België

‘Blauwzwart van het volk. Mijn hart bonsde. Sigaretje roken op het toilet! De zenuwen verdrijven. Tot rust komen. Mijn vast ritueel. Ik dacht aan het verloop van die dag.

Wat een hitte, vent! Wat een hitte! Onze bus vertrok vroeg in de ochtend vanuit Brugge richting Strombeek-Bever. Daar hadden we altijd onze maaltijd bij een verplaatsing. Ik voelde me sloom. Zo drukkend. Warm zonder wind. Geen zuchtje, nergens koelte, niets.

Ons hoofd stond eigenlijk niet naar de match. Geen goesting. We waren al een dikke maand eerder kampioen geworden en de bond programmeerde om een onbekende reden de finale pas veertien dagen na de halve. Spelers van andere ploegen waren al drie weken met vakantie. We hoorden bij aankomst dat de organisatie stappen wilde ondernemen om de aftrap uit te stellen wegens enorme files rond Gent. Meer dan 25.000 blauwzwarte fans verzamelden zich op de E 5 tussen Oostende en Brussel. Dat was nooit eerder gebeurd.

De kennismaking met de catacomben van de Heizel viel tegen. Verschrikkelijk ongezellig en lelijke turn- en atletiekkabines van kleedkamers. Een ramp. Even voor de wedstrijd vernamen we dat de finale van de Beker van België voor het eerst rechtstreeks op de televisie zou worden uitgezonden. Compleet onverwacht, omdat het er zo veel volk was opgedaagd. Een chaotische situatie, van mogelijk uitstel tot live op antenne. Toen zagen we op het scheidsrechtersblad de naam van Francis Rion. Onze reactie: “Oooh, een Franstalige. Anderlecht moet winnen zeker?” Want ze hadden nog niets in de spreekwoordelijke ‘sjakos’.

Dan volgde het lange wachten. De televisietoestanden veroorzaakten nervositeit. Men vroeg de ploegen apart het veld op te lopen. De arbiter daagde niet op. De bal bleek onvoldoende opgepompt! Mijn eerste reactie: hier zit niets in! Typerend voor de Belgische voetbalbond, zeker? Alles getuigde van een amateuristische aanpak. Functionarissen van de bond liepen in en uit de kleedkamer, ze schuifelden wat rond met allerhande paperassen in hun handen. Niemand wist wat ze er kwamen doen. Wat hadden ze bij ons te zoeken? Dus weer even wachten. In die warmte. Tot ze een nieuwe bal hadden gevonden. Deze keer was die wel opgepompt!

Wat een massa! De Heizel was compleet uitverkocht: meer dan 57.000 mensen voor de finale van de Belgische beker. Die ene vraag brandde op de lippen: wie is nu de echte nummer één van België? Anderlecht of Club? Wij kroonden onszelf tot kampioen, Anderlecht eindigde tweede op vier punten. Vijf voor drie. Onze aanvoerder Fons Bastijns riep ons naar de spelerstunnel: Birger Jensen – Jos Volders – Edi Krieger – Georges Leekens – Julien Cools – René Vandereycken – Dirk Sanders – Ulrich Lefèvre – Roger Davies – Raoul Lambert. Coach Ernst Happel gromde zonder veel emotie: ‘Spielen! Sie sind besser.’

Even provocerend naar de spelers van Anderlecht kijken. Hier en daar wat opfokken. We draafden op in onze witte shirts, met blauwe schouderstreep. Op de borst de zwarte reclameletters voor het merk 49 R-Jeans. Ook: witte kousen en broek. Anderlecht stak van kop tot teen in het paars. Zij hebben Arie Haan, Peter Ressel, Jan Ruiter, Frank Vercauteren, Jean Dockx, Ludo Coeck, François Van der Elst, Erwin Vandendaele, Hugo Broos, Jean Thissen en mijn latere vriend Gille Van Binst. En als coach: de immer nerveuze Raymond Goethals. Het decor was apart. Boven de koppen van de duizenden supporters blonken de bollen van het Atomium. Het begin sneed ons de adem af. De bal hing meteen in de rechterbovenhoek. Knal van de Nederlandse spelmaker Arie Haan. Na veertien minuten, meer van hetzelfde. Deze keer zoefde de bal van Swat Van der Elst me om de oren. Onbereikbaar projectiel, op dezelfde plaats. Ik zeg: “Wat is dat nu? Is dat dan mijn slechte kant?” We bleven wel gewoon voetballen. Het overzicht houden, dat zat er bij ons in geslepen. Geen drukte. We hadden al vaker een achterstand geannuleerd. We liepen niet verloren. Zelfs niet nadat Edi Krieger op de twintigste minuut geblesseerd het veld diende te verlaten. In de 26 ste minuut kopte Raoul Lambert mooi binnen na samenspel van Dirk Sanders met Ulrich Lefèvre en René Vandereycken. Drie minuten later volgde de nieuwe koude douche: Ludo Coeck knalde een vrije trap op de muur, de bal maakte een onnavolgbare curve en viel pardoes opnieuw in dezelfde rechterbovenhoek. We beten ons meteen vast en voerden de druk op, met snelle één-twee-circulatie tussen Lambert en Lefèvre en Lambert en Cools. Na een hoekschop van Raoul legde Gino Maes de bal voor de voeten van Ulli: 3-2.
Tijdens de pauze spraken we onverbloemde taal: “Verdoemme, ze zijn te pakken.” Zo keken we naar het voetbal. We wezen niemand met de vinger, omdat de bal op die wijze tegen je kan rollen: drie keer raak in de winkelhaak!

In de tweede helft lieten we Anderlecht niet meer voetballen. Ze speelden het grof. Arie Haan en Gille Van Binst schopten Ulrich Lefèvre, bij zijn laatste wedstrijd, gewoon van het veld. Ze trapten met twee tegelijk op zijn voet. Al onze vervangingen waren reeds doorgevoerd, dus hij moest wel blijven staan. Hij had zoveel talent dat hij, ter hoogte van zijn linkerflank, onze ballen in ontvangst bleef nemen en ze rustig op de juiste plaats legde. Gelukkig hadden wij René Vandereycken die ook intimideerde en enkele tikken uitdeelde. Anderlecht speculeerde enkel nog op de counter en ik hield Coeck van de 4-2. Van dan af bewezen we over meer talent te beschikken en beter te kunnen combineren. In de 62 ste minuut toonde Roger Davies onvermoede klasse: een pareltje! Een inzichtelijke, korte draaibeweging en dan een heerlijk lobje over Jan Ruiter. Magnifiek! Toen was het een kwestie van tijd. Het duurde tot zeven minuten voor het einde. De capriolerende bal viel voor de voet van Davies en hij kegelde de volley binnen. Ik verhinderde nog de 4-4 in de slotfase toen Dockx van de verwarring trachtte te profiteren. De 4-3 weerspiegelde de krachtsverhoudingen niet. Op voetbalgebied kwam Anderlecht niet tot aan onze knieën. Na de match bekroop ons een soort euforie. Dit hadden we nog nooit gezien. We pakten Ernst Happel gewoon vast bij de broek. Hij kon niet meer weg. Hij had nog zijn sigaret in de mond. We stopten hem de beker in handen en hesen hem op onze schouders. “Lass mich, Lass mich. Weg, weg, weg! Scheisse!” Hij wilde dit niet maar hij kon er toch mee lachen. We voelden hem van kop tot teen trillen van de spanning. Verbazing alom. De pers schreef: “De sfinks lacht.” De Brugse spionkop scandeerde “Happel, Happel, Happel.” Hij ging er zelfs even bij dansen. Op de andere bank zuchtte Raymond Goethals.

Met zijn hoofd gebogen en zijn sigaret in zijn handen. De dood nabij. Paffend en puffend. Vloeken. “Merde! Merde! Merde!”. Wat hij dan allemaal broebelde. Ik zag hem als een pudding in elkaar zakken.

Anderlecht moest echt plooien voor ons. Het lijdt geen twijfel dat wij de besten waren van die gouden periode van het Belgisch clubvoetbal. Anderlecht won twee keer de Europacup der Bekerwinnaars in 1976 (tegen West Ham United) en 1978 (tegen Austria Wien). Met alle respect: West Ham was een meeloper en wat betekende Austria Wien? Wij verloren toen zowel de UEFA Cup als de Europacup der Landskampioenen van FC Liverpool, het beste elftal van Europa. Onze ploeg werd onvoldoende gewaardeerd voor haar prestaties. We schakelden de ene Europese topclub na de andere uit. We wonnen drie keer het kampioenschap, telkens voor Anderlecht. En we pakten de Beker van België in een zinderend onderling duel in een volgepropte Heizel en voor enkele honderdduizenden televisietoeschouwers. We voerden spektakelvoetbal op. Club Brugge was het beste elftal van het land. De hitte was ondraaglijk. We begonnen de dag op een nonchalante manier. We beëindigden hem door veel te drinken. Bijzonder veel te drinken. De herinnering aan de 4-3 blijft voor altijd hangen bij iedereen met een hart voor blauwzwart. Zoals ik. Ik zie me nog mijn sigaretje roken op het toilet.’

About Author

Leave A Reply