Mark Dheedene overleden

Vorige dinsdag overleed in Waregem op 71-jarige leeftijd (11-12-1945) ex-Nieuwsblad-journalist Mark Dheedene. De begrafenisplechtigheid had vanmorgen, op uitdrukkelijke wens van Mark, in intieme kring plaats.
In het laatste kwart van de vorige eeuw was hij zonder enige twijfel één van de kleurrijkste figuren en briljantste pennen uit de Vlaamse sportjournalistiek en wellicht de kleurrijkste en briljantste. Mark was één van de laatste journalisten die zowel over voetbal als wielrennen schreef.
Mark was meer schrijver dan journalist. Hij kon een schitterend stuk maken zonder dat er iets was gebeurd. Toen ik voor de eerste keer een wielerwedstrijd volgde voor de krant kreeg ik na een rit in de Ronde van België de opdracht om 60 regels te maken van de renner die derde was geëindigd. Toen ik achteraf tegen wielerchef Harry Van den Bremt zei dat de coureur niets te vertellen had, zei Mark: ‘Heeft hij gezucht? Ja? Dan heb je 60 regels.’
In een tijd van vroege sluitingstijden was de behoefte groot aan zogenaamde sfeerverhalen, die in de loop van de dag werden gemaakt. Niemand kon dat beter en zeker niet met zo veel humor als Mark. Als initialen koos hij niet toevallig voor MAD. Verscheidene kranten zochten naar iemand met dezelfde kwaliteiten, maar hebben hem nooit gevonden.
Nieuws interesseerde hem minder. Hoewel niemand wellicht meer wist dan hij. Coureurs en voetballers hadden door dat hij over bepaalde zaken nooit zou schrijven en vertelden hem honderduit.
Bovenal was Mark een bijzonder aangename man. Ik heb me vaak buitengewoon geamuseerd met hem bij buitenlandse verplaatsingen. Ook wel eens geërgerd als ik zijn kamer binnenkwam, omdat hij dreigde de deadline niet te halen en ik in een dichte rookwolk moest zoeken waar hij zat. Of als hij kwam aankloppen met de vraag of hij een drankje kon krijgen uit mijn minibar, omdat de zijne leeg was. Maar zo’n schitterende gast en pen vergeef je meteen alles.
Ik was enorm blij dat Mark twee jaar terug voor De Witte Duivel een verhaal wilde schrijven naar aanleiding van de tiende verjaardag van het overlijden van ex-KV Kortrijk-coryfee Bo Braem. Het was wellicht het laatste stuk dat hij maakte en het ilustreert perfect hoe meeslepend hij kon schrijven. Ik was vaak jaloers op zijn virtuositeit.
Om de jongere generatie een indruk te geven van zijn machtige schrijfstijl brengt DWD graag nog eens zijn verhaal over Bo Braem. Ik zal je nimmer vergeten, Mark.

BO BRAEM (30/10/1950-26/5/2005)

26 mei 2005. Een snikhete lentenamiddag. Op de terrassen van de Grote Markt zit meer volk dan er ooit opdaagde voor een thuismatch van KV Kortrijk.
In ,,zijn” Guldensporenstadion doet Boudewijn Braem zijn dagelijkse ronde. Weer of geen weer, werkdag of weekend, minstens één keer per etmaal inspecteert BB de voetbaltempel langs de Meensesteenweg, want er is altijd wel iets dat voor herstelling of opruiming in aanmerking komt. Hij moet het niet doen. Hij heeft niet eens een officiële functie bij de club. Maar hij kan niet zonder KVK. Zijn kop zit nog altijd tot barstens toe vol met voetbal. En met alle innnerlijke demonen die graag in dergelijke omgeving vertoeven.
Een blik op het hoofdveld maakt hem kregelig. De grasmat imiteert met succes een savanne in de Sahel. Hulp zoeken stond nog nooit in zijn tien geboden, dus doet hij wat hij altijd al deed: zelf zijn boontjes doppen. Zijn zelfgekozen plantrekkerij krijgt nog een extra dimensie: de grasmaaier die de stadsdiensten in het stadion paraat houden, is niet in werkbare toestand te krijgen en de mannen van de verantwoordelijke ambtelijke groendienst oproepen heeft geen enkele zin want gezien de heersende temperaturen is het onmogelijk te achterhalen in de schaduw van welk café ze met hun bevoegde schepen ,,vergaderen”.
De bescheiden woning in een sociale wijk ligt niet zo ver van ,,het plein” en daar gaat Boudewijn dan maar zijn eigen ,,machientje” halen. Een dikke drie uur puffen, zweten en vloeken, onbeschermd in de gretig brandende zon, en de jungle is omgetoverd tot een biljartlaken. Na het knip- en trimwerk trekt Bo naar de Kouterclub, het cafetaria vlak achter de ,,sfeertribune” en nog binnen de omheining van het stadion. ,,Als we zondag verliezen dan zal ‘t alleszins niet aan mijn pelousetje liggen. We zullen het dus nog maar eens op den arbiter moeten steken”, meldt hij zijn toevallige tafelgenoten. De objectiviteit van scheidsrechters, trainers, bestuursleden, vrouwen, journalisten, ja, soms zelfs ploegmaats, Braem heeft er in de loop der jaren zo zijn bedenkingen bij gekweekt.
Na een derde colaatje – hij vindt de stand van de thermometer niet combineerbaar met pils – neemt hij afscheid van het trosje terrasvrienden. Zij stappen naar hun auto, twintig meter verder. Hij wandelt richting tribunes.

Van volksjongen tot vedette

De meest legendarische voetballer van de Leiestad werd geboren in een arbeidersgezin in Bissegem, een deelgemeente van Kortrijk. Tussen zijn ouderlijk huis en het Guldensporenstadion lag niet veel anders dan het enorme kerkhof met de prachtige grafmonumenten uit de glorietijden van de vlasindustrie en de goudsmederij.
Zoals wel meer babyboomers ( Bo zag het daglicht in 1950) werd de verse Braem gedoopt als Boudewijn. In de loop van zijn carrière zouden zijn wondere dribbeldaden dikwijls beschreven worden onder krantentitels met in vette letters iets over ,,Koning Boudewijn”.
Bo sloot zich aan bij Kortrijk Sport, maar bleef altijd beweren dat hij de echte knepen van het vak en zijn onblusbare passie voor het voetbal te pakken kreeg op de straten, de pleintjes en in de tuintjes van de buurt waarin hij opgroeide. ,,Alle trainers die ik gekend heb hadden samen minder techniek dan ik”, zei hij wel eens. Om er dan steevast met de bekende grijns ,,à la Bo” aan toe te voegen: ,,En van tactiek hadden ze ook alleen maar een vaag idee, maar wel veel blabla en bij veel spelers was dat al genoeg om er in te geloven. Helaba, niet met Bootje.”
Hij was amper zeventien toen hij al de onbetwiste ,,patron” van het eerste elftal was. In zijn allereerste match als lid van de elf dirigeerde hij Sport naar een totaal onverwachte 5-5 tegen de veel sterker gewaande aartsrivaal van een eindje verder, Stade.
In 1971 smolten Sport en Stade samen en werd ,,de Veekaa” geboren. In de wijde omtrek van de Broeltorens is er geen enkele echte voetbalfan die ooit zal opperen ,,we gaan naar KVK kijken”. Het letterwoord KVK is voorbehouden aan de media, voor alle ,,normale” supporters blijft het ,,de Veekaa”. Wat ze in Waregem ook mogen beweren, zo koninklijk willen ze in ,,de parochie van Manten en Kalle” nu ook weer niet overkomen.
De nieuwe vierdeklasser werd al vlug kampioen en wipte gestaag van bevordering naar de hoogste afdeling, weliswaar bijna altijd via eindrondes of testmatchen. Nog vlugger dan de club op de KBVB-ladder, steeg de roem van Boudewijn Braem in de stad en de regio. Soms met maar meestal tegen zijn meug groeide de volksjongen uit tot een vedette.
Braem moest nog acteren in een periode van zeldzame profs en een overgrote portie amateurs. Omwille van het dagelijkse brood werkte Bo bij de post, in de kantine van het enorme hoofdkantoor, in de schaduw van het Belfort. ,,Een sleutelfunctie”, vertelde hij. ,,Want ik beheer de eet- en drankbonnetjes. Zelfs als ik gekwetst moest toekijken zeggen ze dat ik goed gespeeld heb, kun je nagaan hoeveel schrik ze hebben om bij mij op een slecht blaadje te komen.”
Die kans was klein want het hart van BB was nog groter dan zijn grote mond en dat wisten al zijn collega’s bij de Post beter dan wie ook. Een ziek kind, een ongeval, een inzinking, Bo was er. Met troost, opbeuring of een grappige babbel. Hij vroeg telkens maar één tegenprestatie: discretie. ,,Zorg dat ze niet weten dat ik hier geweest ben. Ze klappen al genoeg achter mijn rug.”
Wein, weib und gesang

Het was de tijd waarin voetballers langer bij dezelfde club ( moesten) blijven dan de paar maanden die nu soms gebruikelijk zijn bij verenigingen met een kleine portefeuille. De supporters en pseudo-fans hadden ruimschoots de kans om hun idolen te leren kennen. En niet alleen in hun bewegingen tussen de twee doellijnen. Op het tv-scherm zagen ze hun helden zelden of nooit. Ook dat maakte de toppers een onderdeel van geheimzinnigheid en duwde hen in de poel van roddels, verdachtmakingen en fantasiën die kant noch wal raakten maar o, zo lekker smaakten voor de toehoorders.
Boudewijn Braem dronk niet meer pintjes dan ( te)veel voetbalbroeders. Hij ging minder op stap dan het gros van zijn kameraden uit de eigen en andere West-Vlaamse clubs.
Hij beging echter de fout ,,volks” te blijven. Terwijl de lepere fuifbeesten liever iets geniepiger opereerden in sjiekere bars en afgelegen nachtclubs, buiten bereik van werkmansogen, zat Braem liever grappig te doen aan de toog van een volkscafé waar de supporters hem konden trakteren, en vice versa. Daarbij verafschuwde hij alle officiële bijeenkomsten, huldigingen en optredens binnen de meer hypocriete gezelschappen.
Een en ander leidde tot het ontstaan en de bloei van de ,,mythe Braem”, de losbol die al zijn dagen en nachten vulde met ,,Wein, Weib und Gesang”. In de meer prozaïsche realiteit was Boudewijn de volkse jongen die niet eens wist wat kapsones zouden kunnen zijn, die zijn werk bij de Post graag deed en die maar één verslaving had: voetbal.
De ,,mythe Braem” zou hem echter zuur opbreken.

Anderlecht

Zomer 1980. Een droom hangt in de lucht en dreigt binnen bereik van Boudewijn Braem in vervulling te gaan. Hij prijkt bovenaan het verlanglijstje van Anderlecht, de club waar hij mee dweept omdat techniek daar nog naar volle waarde wordt geacht.
Hoewel Kortrijk bereid is hem te laten gaan ( beide voorzitters doen naast het voetbal ook al ettelijke jaren bierzaken met elkaar) gaat de transfer van de dan 29-jarige teamdirigent niet door. Braem is de sportieve wanhoop nabij en verbijt zijn ingebakken nukkigheid om bij ,,meneer Constant” himself te gaan informeren waarom paars-wit hem afwijst. De geuzebrouwer windt er geen doekjes om: het heeft helemaal niets met zijn voetbalkwaliteiten te maken, integendeel zelfs, maar Vanden Stock en Michel Verschueren ,,namen zo links en rechts ook wat inlichtingen over de persoon als dusdanig en over zijn gedrag buiten het veld en vooral door zijn levenswandel viel dat allemaal net iets té negatief uit om een contract in het Astridpark te wagen”.
Zo werd het hem letterlijk meegedeeld en zo bleef het de volgende twee decennia in zijn hoofd nadreunen.
De zoektocht naar de ,,bepaalde personen” die Constant Vanden Stock en Mister Michel een feuilleton vol sappige, gortige en eerder ongeloofwaardige verhaaltjes hadden verteld, kon beginnen want die namen hadden de heren uit Brussel niet willen lossen. Tot het einde van zijn dagen zou Boudewijn daarover blijven piekeren en … overal ,,de daders” zien die hem ,,zodanig zwart hadden gemaakt dat roem, geld en de kans om zijn kunnen te tonen bij een topclub” hem ontnomen waren.
Hij zocht vergeefs, maar het vleugje paranoïa zou hij nooit meer uit zijn systeem krijgen.

Pesterijen

Een paar maanden nadat de transferdroom van Boudewijn werd getorpedeerd: Kortrijk-Anderlecht, de match waar hij al sinds de publicatie van de kalender wakker van ligt. Alles wat ook maar een zweempje paars-witte sypathie koestert wil hij bewijzen hoe deerlijk ze zich vergisten toen ze hun deur gesloten hielden.
En hij speelt inderdaad de beste wedstrijd uit zijn loopbaan. Hij spurt, dribbelt en passt alle frustraties uit zijn lijf. Zijn beste vrienden-ploegmaats snappen de ernst van de omstandigheden en proberen even driftig hun hoogste niveau te halen. Flankdraver ,,Wanne” Vermeersch, eerste luitenant Michel Timmerman, cafébroer Dirk Demets, allemaal steken ze geen tandje maar een heel gebit bij om Bo te steunen in zijn kruistocht naar revanche. Ja, zelfs Zidane ( Djamel, neen, geen familie) lijkt er zin in te hebben, hoewel dat met de wereldrecordhouder van de wispelturigheid nooit zeker is en zijn voorbeeldige inzet ook alles kan te maken heben met de uitstaling van de bezoekers en minder met Braem.
Helaas, wat gebeuren moest gebeurt. De thuisploeg is, gedirigeerd door een sublieme Boudewijn, de betere maar mist meerdere rijpe doelkansen. Maar BB wil blijven demonstreren en hoe meer hij daarin slaagt hoe meer de euforie onder zijn hersenpan uitgroeit tot overmoed. Tien minuten voor affluiten één geflopte voorzet en de lepe heren Coeck en Vercauteren zorgen voor het lobje dat de 0-1 eindstand oplevert.
Maar het leed van de uitblinker was nog niet geleden. In de dugout zat immers een kerel die net zo eergierig en even woedend was als Bo: Henk Houwaart. Meteen na de Anderlechttreffer kreeg Braem het bevel van de coach om het veld te verlaten. De impulsieve reactie van de coach maakte de vernedering voor de ster van Kortrijk compleet. Ziedend ( en wenend, volgens getuigen) draafde hij meteen richting kleedkamer, zonder ,,de bank” nog een blik te gunnen.
Voorzitter Degrijse, voetbalfanaat tot in zijn diepste vezels, en beschermheer van Braem in alle omstandigheden, voelde aan de toppen van zijn tenen dat er zwaar onweer dreigde en spoedde zich naar de vestiaire. Hij feliciteerde zijn troepen met hun schitterende prestatie en schonk hen als troost de premie voor een gelijkspel. Een hoogst uitzonderlijke daad bij het Kortrijk van toen. Terzijde: de premie voor een draw bedroeg bij KVK 7.500 Belgische frank. Bij Anderlecht verdienden ze toen al ietsje meer…
Tussen de keikoppen Braem en Houwaart kwam het uiteraard nooit meer goed. Er volgde een periode van pesterijen over en weer, van verwijzingen naar de reserven, van spijbelen en van verwijten in alle richtingen.
Bo verhuisde naar AA Gent waar hij nog twee seizoenen voetbalde en zelfs een tijdje overnam als trainer. In de Post was hij intussen opgeklommen tot verantwoordelijke voor een hele rist van de bedrijfrestaurants en die functie knabbelde meer en meer aan de beschikbare tijd voor zijn levensnoodzakelijke hobby.
De trektocht van Bo als trainer bevatte meer stopplaatsen dan successen. Onder meer Doornik, Ronse, Lauwe, Menen, Gullegem, Handzame, Roeselare en… KV Kortrijk ( toen al in forse ademnood) zagen hem de manschappen voorbereiden en selecteren. Veel lauwerkransen leverden zijn coachactiviteiten niet op. Vooral omdat hij zich o, zo moeilijk kon verzoenen met het volgens hem meelijwekkend technisch vermogen van zijn spelers. ,,Slechts vierde klasse, dat klopt, maar ze kunnen verdomme nog geen bal stoppen of een deftige pas geven van twee meter”.

Waakhond

2001. KV Kortrijk is failliet en dreigt te verdwijnen. Alleen een rijke vlasboer blijkt enige ambitie te heben om rood-wit op te slorpen en toe te voegen aan zijn eigen club, Wevelgem.
In de Leiestad wordt uiterst lauw gereageerd op de nakende definitieve verdamping van rood-wit. ,,Er zijn al zoveel bedrijven failliet gegaan in de streek. Maar altijd kwamen er nieuwe bij. Wat zouden wij ons geld steken in een verloren business als voetbal?”
Eén man staat pal. Eén. Bo Braem. Totaal op eigen initiatief en gesteund door niemand zet hij de operatie redding in. Hij pleit, hij smeekt, hij slaat op tafel en hij valt op zijn knieën als het moet. En hij verzamelt wat hij nodig heeft: de 6 miljoen frank om het stamnummer bij de KBVB te behouden en een paar enthousiastelingen die naast een financiële inbreng ook bereid zijn tijd en energie te investeren in de leiding van de club. Bovenaan dat lijstje staan zijn advocaat Joseph Allijns en zijn vriend Jean-Marc Degrijse (zoon van Arsène).
Met een luide ,,oef” schuift Bo Braem weer naar de achtergrond, buiten bereik van het voetlicht op het podium. Zijn Veekaa is gered.
Vandaag, veertien jaar later in de lente van 2015: KV Kortrijk, revelatie van het seizoen, staat opnieuw te koop. En er is geen waakhond Braem meer om te zorgen dat het goed afloopt.
27 mei 2005. Net als de dag voordien belooft het weer een hete bedoening te worden. Het is amper vijf uur ‘s ochtends als de brouwersgasten al in het stadion opdagen. Hun patron, Arsène Degrijse ( de grootste bieruitzetter van de stad én clunvoorzitter) weet dat de lokale opwarming van de aardbol voor een zeer drukke edoch lucratieve werkdag zal zorgen en wil eerst de bevoorrading van de tempel achter de rug vooraleer zijn personeel de ,,normale” klanten bedient.
De mannen met de vaten schrikken zich bijna een hernia. Ineengekrompen tegen een muurtje, de armen voor de borst gevouwen, ligt Boudewijn Braem. Dood. Zijn 54-jarige hart heeft het begeven. De mythe kan nu onbelemmerd verder groeien. En zijn geest blijft waar hij altijd al geweest is: in een voetbalstadion.

About Author

Leave A Reply