DE STORY VAN BAYERN MUNCHEN 1900-2006: VAN BENSEMANN TOT BECKENBAUER (4)

Naar aanleiding van de uitwedstrijd van Anderlecht bij Bayern München op 12 september brengen we in onze Champions Leaguerubriek vijf vertellingen over de Duitse Rekordmeister: wandelingetjes door de geschiedenis als het ware.

 Leest u ook in dezelfde rubriek onze verhalen over de recente internationale successen van ‘die Bayern’ onder Jupp Heynckes en Pep Guardiola.

 Tussen glamour & ruzie: FC Hollywood ontstaat

In 1974 lag de weg naar het succes lag open. Bayern deed het op de wijze die der Franz dicteerde. Nederland, Leeds United en Saint-Etienne dolden met de Duitsers in de respectievelijke finales van 1974, 1975 en 1976 maar de beredeneerde Beckenbauer glom telkens met het goud.

Hij zou later uitgroeien tot Duitslands lieveling nummer één en het object worden van massaverering: Der Franz und der Ball! Ze vormen de grote naoorlogse eenheid. Hij ging graag op de foto met vedetten uit de wereld van de showbizz: Pavarotti, Placido Domingo, Hildegarde Knef, Sean Connery. Tegelijk schuwde hij de zotskap niet: met carnavalshoed of lederhose tijdens de Bierfeesten in beeld. Geen enkele pose was hem vreemd.

Nochtans rekende hij af met het oude Duitse sportideaal: het in zijn ogen vermolmde en wereldvreemde heldendom van fair-play, kameraadschap en eerzucht. Beckenbauer was de voetballer met de koopmansgeest. Onder zijn beleid evolueerde het gezapige Bayern naar een zakelijke bedrijfscultuur met Hollywoodallures. Met intriges, conflicten en kwaadsprekerij aan de orde van de dag.

Dat kenmerkte het optreden van de libido-libero evengoed als zijn stijlvolle rushes naar vrouwelijk schoon. De serieuze krant Süddeutscher Zeitung doopte hem om tot Casanova van de Bundesliga. In de eigen spelersgroep gedroeg hij zich als Caesar, een Romeinse keizer in zijn Colloseum, der Kaiser van de Olympusberg.

‘Voetbal is ondernemen,’ zo klonk het devies van Bayernvoorzitter Willy Neudecker en hij vond in Franz Beckenbauer een gretig klankbord op het veld: ’Elf vrienden zijn we niet, willen we ook niet worden. Maar we willen wel dat men ons ernstig neemt en dat we anderen ontzag inboezemen.’

Ruzie! Dat is de enige omschrijving voor de gemoedstoestand van Bayern München in de herfst van 1973. Tussen de jonge generatie, aangevoerd door Paul Breitner en Uli Hoeness, en Franz Beckenbauer, de machtsdrager in het hart van het elftal, boterde het niet meer. Het succes op eigen bodem, twee opeenvolgende landstitels, kreeg geen internationale vertaling. In Verrückte Bundesliga (2004) halen auteurs Tom Bender en Ulrich Kühne-Hellmessen de verklarende anekdote over de Bundesligawedstrijd Kaiserslautern-Bayern aan: ‘Twintig minuten voor tijd leidde Bayern met 1-4. Van dan af deed iedereen zijn zin. Kaiserslautern won met 7-4. Men liet Franz Beckenbauer aan zijn lot over.’ Na afloop brak de etterende zweer helemaal open. Voorzitter Neudecker eiste op zondagochtend een straftraining en wie niet meer in de pas wou lopen, mocht ophoepelen. Intussen was het ook in Europa al kantje boord geweest.  Tegen de Zweedse amateurs van Atvidaberg kroop Bayern door het oog van de strafschopnaald en de politiek zwaar beladen confrontatie met de staatsamateurs van Dynamo Dresden (kampioen van de toenmalige communistische DDR) draaide uit op een doelpuntenthriller. In 21 wedstrijden had de voorheen zo secure Bayernafweer liefst 44 goals geïncasseerd. Bayern danste op een vulkaan, Beckenbauer had na tien jaar opwaartse spiraal zijn zaakjes niet meer onder controle. Voor het eerst. Opstand dreigde.

De conflicten sijpelden de selectie binnen met de komst van Paul Breitner en Uli Hoeness. De twee jonge wolven stroomden op hun achttiende door naar het eerste elftal van Bayern, in 1970, scoorden op hun twintigste hun eerste nationale selectie en blonken met wereldgoud op hun 22 ste. Desondanks velde Beckenbauer een vernietigend oordeel over hen. Hij hekelde het imago-intellectualisme van Breitner ‘der neuen Heros der deutschen Gegenkultur’ en de blondeheldenprofileringsdrang van Hoeness, ‘der Jung-Siegfried’.

Beckenbauer scherpte het gemeenschappelijk doel aan: met Bayern de Europa Cup winnen en met de Mannschaft de wereldtitel. Dat realiseerde men in een tijdspanne van amper acht weken: Atletico Madrid (1-1, 4-0) en Nederland (2-1). Dan openbaarde zich de neergang, als een kroniek van het aangekondigde verval.

De kleren van ‘der Kaiser’: het sprookje eindigt in een nachtmerrie

Beckenbauer liet niets aan het toeval over in zijn biogafrie Ich, wie es wirklich war:  ‘Bij Hoeness had het idee zich ontwikkeld dat ik hem zijn carrière niet gunde: bij Bayern, noch bij de nationale ploeg. Hij vond gehoor bij onze coach Udo Lattek en bij Breitner. Lattek won drie landstitels, één beker en één Europa Cup. Toch leed hij ook aan een soort minderwaardigheidscomplex. Samen vormden ze een alliantie. Een spottende opmerking bij het eten, een boosaardigheidje op training. De lucht had plotseling een giftige smaak en klaarde nooit meer op. Er ontstond ook een dameskransje, onder regie van Latteks vrouw. Daarin werd besproken hoe het fout ging bij Bayern en hoe veel meer macht Maier, Beckenbauer en Müller hadden. Zo ontstond bij de koffie en de koeken geklets, nijd en afgunst. Het verspreidde zich als een aanstekelijke ziekte. Iedereen geloofde plots belangrijker te zijn dan het elftal. En dacht dat we onklopbaar waren geworden als ‘Weltmeister’. Zo functioneert het niet. Bayern begon het seizoen met zes wereldkampioenen en verloor meteen bij degradatiekandidaat Kickers Offenbach met 6-0. Lattek, Hoeness en Breitner bleven de spot met mij drijven. Ze wilden mij buiten.’

Bayern won nog twee keer de Europa Cup maar in de eigen competitie bakte het er niets meer van. Tussen herfst 1970 en herfst 1975 bleef Bayern vijf jaar zonder nederlaag in eigen sporttempel. De doelpuntenmachine draaide op volle toeren met 101, 93 en 95 goals in de kampioenjaren. In 1975, 1976 en 1977 volgde de val met tiende, derde en zevende plaatsen en een resem tegengoals. In de lente van 1977 sneuvelde Bayern ook in de Europese kwartfinale tegen Dynamo Kiev, het  machtig imperium kraakte.

Het publiek in de Bundesliga begon te schelden ‘Weg met het gespuis van Bayern’. Men gierde het uit met de voetballers van het grote geld, de macht, de arrogantie, de rijken en de bazen.

Met Beckenbauer zelf evolueerde het van kwaad naar erger.

Op 31/1/1977 stonden de belastingdiensten voor de deur. Met in hun zog de sensatiekrant Bild-Zeitung. Eén grote krantenkop beheerste het ochtendnieuws: ‘Beckenbauer, der Tag, an dem die Steuer kam’. Der Franz, onderging een urenlange ondervraging door de belastingsdiensten en alles verscheen van naaldje tot draadje in Bild. De val van der Kaiser was nakend. De schandaalpers vond zijn nieuwste stokpaardje en zelfs de politieke arena kreeg zijn ultieme wraak. De SPD scoorde met scherpe stellingnamen tegen Beckenbauer, die zich in het verleden zeer honend uitliet over bondskanselier Willy Brandt (van 1967 tot 1974) en diens sociaaldemocratische partij SPD. Tegelijk verscherpte de crisis bij Bayern en liep zijn huwelijk op de klippen. Hij vluchtte als het ware in allerijl naar de Verenigde Staten, om via een lucratief avontuur bij  New York Cosmos een nieuw bestaan op te bouwen. Op 6 april 1977 verscheen in Die Welt het vernietigende bericht.  ‘Franz Beckenbauer hat sich in eine Münchner Photographin verliebt. Um den privaten Schwierigkeiten zu entfliehen, so vermuten Mansschaftskameraden, sei Beckenbauer offenbar geneigt, das USA-Angebot zu akzeptieren.’

Er was geen weg terug. De koffers stonden gepakt, het huis te koop. De prachtige tuin was helemaal verwaarloosd.

‘Ein Bild der Verwüstung, der Trostlosigkeit.’ mijmerde Beckenbauer in zijn biografie: ‘Wanneer het woord midlifecrisis niet bestond, had men het voor mij mogen uitvinden.’

In mei 1977 sloeg hij de deur achter zich dicht. Hij liet zijn gezin achter, vol zelfverwijt: ‘In 1966 trouwde ik met Brigitte. We kregen twee kinderen, Stefan en Michael. Mijn andere zoon Thomas adopteerden we. Op mijn 25 ste droeg ik de verantwoordelijkheid voor vijf mensen. Toch was ik zelf nog een half kind. Ik wilde een goede vader zijn, maar voel dat het niet zo is geweest. Er was in de jaren zestig te veel te beleven. Voetballers waren de popsterren van hun tijd. Het begrip aids bestond niet. In sommige jaren was ik 200 dagen van huis weg. Dan vervreemdt men zich vanzelfsprekend van zijn vrouw. Die zat vaak alleen, ze ontwikkelde eigen interesses die anders waren en waarover we niet konden praten met elkaar. In de zomer van 1977 gingen we elk onze eigen weg.’

Franz Beckenbauer, tussen 1966 en 1976 de keizer van het wereldvoetbal, stond helemaal alleen in het leven. Zonder kleren, naakt als het ware.

 

 

About Author

Leave A Reply