Hoe Barça de dictatuur van Franco een voetje lichtte: 17/2/1974, een dag uit het leven van Johan Cruijff

In Catalonië heerst momenteel een sfeer van Independista. In 2012 schreef ik het boek ‘Barça Baaarça. Droomvoetbal van Guardiola tot Messi’. Ik besloot het met het hoofdstuk ‘Een dag uit het leven van Johan Cruijff’. Daarin beschreef ik vanuit mijn  verbeelding hoe Johan Cruijff de wedstrijd Real Madrid – FC Barcelona van 17 februari 1974 zou hebben aangevoeld. Deze dag uit het leven van Johan Cruijff werd een historische gebeurtenis: hét moment met name waarin Barça de dictatuur van Franco een voetje lichtte.

Een verboden en verzwegen manifestatie na de 0-5

De Catalaanse professor geschiedenis Carles Santacana Torres beschreef later in zijn boek ‘El Barça y el Franquismo’ dat na deze wedstrijd enkele duizenden mensen juichend naar de Ramblas liepen om de 0-5 op Real Madrid te vieren: ‘Dit was strikt verboden. De manifestatie werd met jeeps van de gewapende politie uiteen gedreven. De media verzwegen dit feit. De golf viel niet te stuiten. Barça had zich opgeworpen als speerpunt van de strijd tegen het centralismo van het regime en voor de catalanisering van club en regio. De 0-5 was de plastische uiting daarvan.’

 0-5, REAL MADRID – FC BARCELONA, 17 FEBRUARI 1974.

Een dag uit het leven van Johan Cruijff

 Johan denkt aan Jordi. Het is koud in Madrid, die avond van de zeventiende februari 1974. Een week eerder – negen februari – werd zijn zoon geboren. Ze noemden hem Jordi. Wist hij veel dat de Spaanse autoriteiten die naam hadden verboden omdat het dezelfde was als die van de patroonheilige van Catalonië: Sant Jordi, Sint-Joris, die in de vijftiende eeuw het afstotelijke monster, de zogeheten ‘draak’ versloeg. Hij kreeg het zwaar te verduren toen hij Jordi ging aangeven bij de burgerlijke stand van Barcelona. Een verzuurde ambtenaar met een snor weigerde. Hij eiste een verspaansing tot Jorge. Geen denken aan, dacht Cruijff. Hij mepte met zijn hand op het bureau en verhief zijn stem: ‘Jordi, of ik ga hier niet weg.’ De besnorde ambtenaar keek zuur, schrok zich een aap bij dit vooruitzicht, slofte naar de archiefkast en schreef tergend traag de naam ‘Jordi’ in het bevolkingsregister in. Jordi. Men zou liefst 35 jaarboeken moeten afstoffen, tot in den treure tot in 1938 nog aan toe, om deze naam opnieuw te treffen. Die miserabele Francisco Franco schrapte hem immers, na zijn staatsgreep in 1939, uit het dagelijkse Catalaanse leven – geintje van de Caudillo – op straffe van boete, kastijding en tuchthuizen. De Catalanen interpreteerden de impulsieve keuze van Croiff – met een tussenzinnetje interveniëren we even om uit te leggen dat, omdat bij Jordi via een keizersnede de navelstreng in Amsterdam was doorgeknipt, de hardvochtige wet niets tegen hem vermocht – als een heldendaad. Als de daad van een held. Van hun held. Hun held heette Cruijff. Sant Joan, na Sant Jordi, naast Jordi.

30 ste minuut: Ha, daar gaat rechtsbuiten Rexach op rechts buitenom, en instormende Asensi, ingestudeerd patroontje, neemt hem vol op de schoen. 0-1!

 Johan denkt aan Jordi. Het boegeroep van Bernabeu spreekt de banvloek over Barcelona uit.  Huilen, krenken, schelden. Barça is bang. Cruijff haalt in de catacomben van het stadion nog stiekem zijn sigaret vanachter zijn oor, snokt, inhaleert, hoest en blaast blauwe nevelslierten in de barre buitenlucht. Het roken verschaft hem zowel uitbundige roes als innerlijke rust. Het benauwende Bernabeu haalt hem niet uit zijn evenwicht. De sigaret verdrijft de zenuwen. Van de stoep van Betondorp in Amsterdam tot op de middenstip van Bernabeu in Madrid, hem om het even. Voetballen doet men overal hetzelfde, hij verkiest de eigen wijze. Die van Ajax, coach Rinus Michels en hemzelf. Het totaalvoetbal, de Cruijff-cyclus van het vooruitgangsgeloof en de vrijheidsgedachte. Met ongebreideld optimisme opgevoerd van 1966 tot 1973, het Ajaxisme, acrobatisch en abstract: de kunst van het voetballen. Ze vergeleken hem met de Russische balletdanser Nurejev. Hij, Johan Cruijff: het ballet, de bal, de bal van het ballet. De blijde boodschap op het veld met haar oorspronkelijke klanken, fijne schakeringen en intense gemoedsbewegingen. De ultieme utopie. Met resultaat: drie Europacups der Landskampioenen.

39 ste minuut: Ik probeer het zelf. Ter hoogste van de buitencirkel, vervolgens door het midden voorbij drie verdedigers, een makkie. 0-2!

 Johan denkt aan Jordi. Ze onthaalden hem met tienduizenden, op die zomerdag van 22 augustus 1973, als ware hij hun persoonlijke bevrijder. Even mocht hij zich opwarmen, vriendschappelijk op 5 september 1973 met een 8-0 tegen Cercle Brugge, voor 100.000 toeschouwers. Pesten deden ze hem, de Spaanse bondsbureaucraten. Ze rammelden met zijn voeten en rekten de reglementen uit. Nog een weekje langer op de bank, tot twee maanden toe  stelden Madrileense manipulaties zijn debuut uit. Pas op 28 oktober betrad hij – tegen Granada – het magische gras van Camp Nou in het echt. Ze trakteerden hem op een orkaan van ovaties, op een ovationeel orgasme: 4-0, twee keer scoren, en klaar voor 26 ongeslagen wedstrijden. Barça van de vijftiende naar de eerste plaats katapulteren.

 54 ste minuut: Asensi volgt mijn voorbeeld. Dribbelen en drijven vanop de linkerflank en sterk inschieten. 0-3!

 Johan denkt aan Jordi. Zo emotioneel had hij ze nog nooit gezien, de mensen. De mensen van het blauwdonkerrode volk, ze sloten hem in hun harten. Ze imiteerden zijn bewegingen, redelijk onnavolgbaar en dus niet van gevaar ontbloot, bij wijze van spreken als groet in de stad. Een hakje, een sprongetje met één voet in de lucht, een slenterend versnellinkje zoals hij alleen dat kon. Soms weenden ze, als ze vertelden over de betekenis van zijn daden. Ze zagen in hem een ‘verlosser’, El Salvador. Bij elk doelpunt begaven zich weer wat meer mensen juichend naar de Ramblas, zo zouden ze hem vertellen achteraf. De vreugdegolf viel niet te stuiten. Het Barcelonisme boven het Madridismo; Catalonië versus het centralismo; de democratie kraakt de dictatuur. Vrijheid via het voetbal, zijn vrije voetbal.

 65 ste minuut: Juan Carlos heeft mij goed bestudeerd tijdens de trainingen: een lobbal onder de lat, van aan de zijkant van het strafschopgebied. 0-4!

 Johan denkt aan Jordi.

In het dorpje Santpedor, aan de voet van de vallei, stormt een vader – culé uit overtuiging – schreeuwend op het plein. Een moeder zoekt haar zoontje van drie. Geen antwoord. Ze roept: Josep. Joseep. Joseeep. De bezorgdheid slaat toe. Ze verspreekt zich: Joseppeke, Joseppeken, Seppeken, Peppeken. Daar is hij, tikkend tegen iets wat op een balletje lijkt. Hij is terug,  el noi de Santpedor, het jongetje van Santpedor.

69 ste minuut: Ik pak nog eens uit met een hoge voorzet. Prima gedaan, zie ik: op het hoofd van Sotil. 0-5!

 Het is stil in Bernabeu, de ijzige nacht wacht in Madrid, op 17 februari 1974. Barcelona warmt zich op. Voor de eerste landstitel in veertien jaar. 0-5 op Real, het is toch niets niks, praat hij in zichzelf. ‘Op een gegeven moment zal men deze dag toch herdenken’, murmelt hij. Wat zou dat eigenlijk betekenen, in hun taal, vraagt hij zich af. Hij test even zijn nog labiele kennis: op is en, een is un, gegeven is dado, moment is momento. Op een gegeven moment: en un dado momento. Neen, dat klinkt niet: het zal wel wezen ‘En un momento dado’. Op een gegeven moment, praat men opnieuw over 17 februari 1974. Daar is hij zelf wel van overtuigd. Maar voor hem hoeft het verder niet meer.

Johan denkt aan Jordi, zijn zoon is precies één week oud.

Johan verlangt naar Jordi.

 

 

 

About Author

Leave A Reply