Feest op de Bosuil…dertig jaar geleden bij Antwerp – Standard in 1987

 

 Hans-Peter Lehnhoff over herfstkampioen Great Old.

 

Deze week zakte Standard af naar de Bosuil. Wie herinnert zich nog het volgende: 39-13 doelgemiddelde. 28 punten op 34. Herfstkampioen met twee punten voorsprong op Club Brugge. Na de match van Antwerp-Standard op de zeventiende speeldag van het seizoen 1987-’88 was dat de situatie in de Belgische competitie: 3-0 voor de Great Old met goals van Poortvliet, Van Rethy en Pister. Maar het team werd gedragen door het duo Hans-Peter Lehnhoff en Frans van Rooij. Op het nippertje greep Antwerp dat seizoen naast de landstitel.

In functie van het boek ’90 Jaar Bosuil. Vreugde en verdriet van Royal Antwerp Football Club’ sprak ik met Hans-Peter Lehnhoff (1963) over dat prachtige Antwerpjaar 1987-‘88. Hij werd door de supporters van Antwerp verkozen tot ‘eeuwige nummer 1’ bij de 125 ste verjaardag van de club in 2005. Hij was de motivator achter de zeven vette jaren van 1987 tot 1994: 359 wedstrijden, 100 doelpunten en telkens een kwalificatie voor een Europees toernooi. Hij begon zijn loopbaan bij FC Köln en evolueerde na zijn vertrek bij Antwerp nog gedurende vijf sterke seizoenen tot een sterkhouder bij Bayer Leverkusen in de Bundesliga. Met als hoogtepunt: de tweede plaatsen in 1997 en 1999. Sinds 2001 is hij teammanager van het eerste elftal van Bayer Leverkusen.  De liefde voor de Bosuil is gebleven.

Aber das Stadion, dass hat etwas

“Aber das Stadion, dass hat etwas. Dat zei ik tegen mezelf op zaterdagavond 19 september 1987 bij mijn eerste kennismaking met de Bosuil. Ik verscheen goed op tijd. Ik zag een groot stadion voor mij opdoemen: zo oud, zo donker. Ik schrok, het leek op een reis terug in de tijd. In de socioclub ontving men mij voor een rondleiding. Ik schrok opnieuw en kampte met het gevoel: jongens, dat is toch wel heel oud. Ik had natuurlijk de Bundesliga in het achterhoofd. Trainer Georg Kessler overhaalde me. We werkten goed samen bij FC Köln twee jaar eerder en ik voelde dat hij in mij geloofde om zijn nieuw project vorm te geven. Ik presenteerde me ook in mijn beste pak mét das want ik dacht dat ik mij als nieuwe speler toch een beetje volgens de regels diende te kleden. Ik hoorde voor het eerst ‘plat Antwaarps’: “Wa nen dikkenek is da, me zan kostum.” Ik draaide onwennig heen en weer maar daarna viel me wel de kwaliteit van het veld op. Mijn gevoel begon ten goede te keren: aber das Stadion, dass hat etwas. Toen ik het die avond verliet, hield het me in de greep. Ik zag veel foto’s in zwart-wit en ik hou daarvan. Je kunt de tijd lezen op ‘zwart-wit’, je ziet de mensen hun gezichten. Dat zwartwitte beeld hoorde bij die Bosuil en het bracht me toch in een goede stemming. Zelfs al bleef ik me de hele avond verbazen over de ouderdom. Soms kan men van ‘oud’ en ‘klassiek’ iets opsteken. Die Bosuil had veel meegemaakt, ik proefde dat, het was een soort wederzijdse begroeting. Dat stadion leek tegen mij te spreken, de sfeer die er hing was apart, lichtjes onwezenlijk maar toch ook aangenaam. Ik voelde me er welkom. Ondanks die ‘ouderdom’, bruiste die Bosuil ook van de vitaliteit. De volgende vijf maanden kregen we liefst 100.000 mensen over de vloer voor onze topduels met de eerste plaats als inzet tegen Anderlecht (2-0) en Club Brugge (2-0) en voor de derby met Beerschot (2-1). Dat was meer dan dertig jaar geleden.”

Mijne heren, er zit een deserteur onder ons

“Georg Kessler was de vader van het succes van ‘den Antwerp’. Ze lachten hem uit met zijn Eurostadion maar daar hebben ze echt hun moment gemist. Intussen staat zijn maquette wel in Amsterdam en ze heeft een naam: het Arenastadion van Ajax. Dàt wàs dé kàns voor Antwerp. Met het Eurostadion stonden ze vandaag naast of zelfs boven Anderlecht. In plaats van de Belgische top en de Europese subtop heet de harde realiteit: tweede klasse. Soms moet je durven, het risico nemen en op je bek gaan. Mijn respect voor Kessler was groot. Hij nodigde ons soms uit op het zijn bureau met zijn ‘Minjtens Meubelen’, de duurste en meest stijlvolle keuze. Hij was kordaat op zijn manier. Bij een van mijn eerste oefenmatchen op Germinal kon ik niet bij de bal. Ik zag dat hij verloren was en spaarde mijn energie op. Kessler riep me streng tot de orde: “Je moet hem spelen.” Ik sprak hem tegen: “Ik kon er niet meer bij.” Kessler wachtte geen seconde: “Scheids, wisselen!” Ik verliet het veld en hield mijn mond. In de kleedkamer tierde hij tegen de groep: “Mijne heren, er zijn hier mensen bij ons die zich gedragen als deserteurs. Deserteurs! Weten jullie dat hier deserteurs zitten?” Ik pruttelde tegen maar hij brak mijn zin meteen af: “Neen, neen. Ik heb geen namen genoemd.” Op die wijze verduidelijkte hij me dat ik tijdens de match niet tegen hem mocht ingaan.”

Profiteren, leren en genieten van Frans van Rooij

“Ik was iemand met lang haar, dat is slierten over mijn gezicht hing, nat van het zweet. Ik speelde box-to-box en toverde onderweg enkele acties uit de voet. Ik pakte drie man en gaf dan een voorzet waarop Czernia scoorde. Daar hielden de Antwerpfans van. Ik heb oneindig veel geleerd én geprofiteerd van Frans van Rooij. Ik hou van voetballers die situaties doorgronden die een andere speler zelfs niet opmerkt. Wanneer ik verwachtte dat hij beweging X zou inzetten, bedacht hij toch het compleet andere moment Y. Zo stak Van Rooij in elkaar, de onberekenbare voetballer. Ik ergerde me nooit aan hem omdat ik wist dat hij aan ons elftal, dat werkkracht aan ervaring koppelde, het element creativiteit toevoegde. Het seizoen 1987-’88 scoorden we doelpunten aan de lopende band op de Bosuil. Spektakel troef! (met 29 punten op 34 en 45-11 doelgemiddelde, red.) We versloegen de top vier met duidelijke cijfers. Naast Anderlecht en Club Brugge gingen ook KV Mechelen (3-0) en Standard (3-0) in de boot. We verspeelden het kampioenschap door twee off-days tegen Sporting Charleroi (0-2) en SK Beveren (1-1). Haalbare kaarten vermoed je vooraf maar in België kampeerden ze met tien in het zestienmetergebied en dan dien je als topclub de oplossing te vinden. Als Van Rooij of ikzelf het dan een enkele keer samen lieten afweten, bleven we met lege handen achter. Als ik de beelden van mijn samenspel met Frans oproep, pakt het me nog steeds.”

Het samenspel met Frans van Rooij ontroert Hans-Peter Lehnhoff dus nog steeds. En met hem waarschijnlijk duizenden Antwerpfans die deze tijd nog voor de geest kunnen halen.

 

About Author

Leave A Reply