Uit de Hollandse school

Onze gewaardeerde Nederlandse collega Henk Mees brengt voortaan iedere week een verhaal ‘Uit de Hollandse School’:
‘Voetbaldoden’ dompelen onder in boekenstroom

Op weg naar de cadeautjesmaand worden we in Nederland overstelpt met sportbiografieën, vooral van voetballers en trainers. De belangstelling voor sportboeken is zelfs zo groot dat voor de jaarlijkse verkiezing van de NS Publieksprijs drie van de zes genomineerde boeken uit de sportsector kwamen. Bestseller-acteur Michel van Egmond zegevierde al voor de derde keer, nu net als in 2013 met popi-lieveling René van der Gijp als hoofdpersoon. Bijna een kwart van de 96.000 stemmen ging naar ‘De Wereld volgens Gijp’.
Afgewacht moet nu maar worden welke recent in Nederland verschenen ‘levensverhalen’ volgend jaar mogen meedingen. Johan Neeskens? Royston Drenthe? Foppe de Haan? Henk de Jong? Stefan Pettersson? Ruben Schaken? Chris Gyan? Bas Nijhuis? Rob Jansen?
Hooliganisme
In de stroom van al die sportboeken kreeg ‘Toen was geweld heel gewoon – de dodelijke romantiek van voetbalhooliganisme’ verhoudingswijs veel minder aandacht. Het is dan ook geen boek dat gedragen wordt door sensatiezucht, opwinding of morele oordelen. Het is een genuanceerde schets van de ontwikkelingen die het geweld rond voetbal heeft doorgemaakt.
Schrijver Friso Schotanus (1976) vraagt zich in het boek af waar het geweld vandaan komt, waarom het zoveel aantrekkingskracht uitoefent. De auteur reisde naar Engeland om met socioloog John Williams, verbonden aan de universiteit van Leicester, de roots van het hooliganisme na te gaan. Aan de hand van persoonlijke verhalen reconstrueerde hij de invasie van Spurs-vandalen in Rotterdam (1974), het Heizeldrama (1985), het voetbalgeweld in Oost-Europa en de slag bij Beverwijk (1997) waarbij Ajax-fan Carlo Picornie door Feyenoord-hooligans om het leven werd gebracht.
Carlo Picornie was twintig jaar geleden niet de eerste geweldsdode in het Nederlandse voetbal. In het boek komt ook de dood van FC Twente-fan Erik Lassche aan bod. Hij werd in 1991 midden in de nacht doodgestoken toen aanhangers van FC Twente en Feyenoord elkaar lang na afloop van de wedstrijd in het centrum van Enschede stonden uit te maken voor ‘kankerlijers’ en ‘boeren’.
‘Eerste dode’
In de historische speurtocht naar dodelijk geweld bij voetbalwedstrijden keert Schotanus terug naar 30 september 1939. In het dorpje Sprang, een protestantse (Nederlands Hervormde) enclave in Noord-Brabant vlakbij Waalwijk, moest de 23-jarige Karel Snijders die dag zijn vete tijdens de zaterdagvoetbalwedstrijd SDO – Sparta (Vrijhoeve) bekopen met een dodelijke messteek. Kleedkamers ontbraken daar, de spelers moesten zich achter het doel omkleden waarbij de 21-jarige Huig G. pal na afloop een mes uit zijn broekzak griste, fataal voor zijn tegenstander. ‘Ze hebben me te pakken’, waren de laatste woorden van Karel Snijders (23), vader van drie jonge kinderen.
Het incident kreeg ’s avonds een vervolg toen de dader naar de cel van het gemeentehuis werd vervoerd. Bij het volksgericht dat zich daar ontspon kon de dader maar net ontzet worden toen de vader van het slachtoffer verhaal wilde halen. De straf bleef beperkt tot een half jaar gevangenisstraf, vooral op basis van een psychiatrisch rapport waarin de dader ‘zeer verminderd toerekeningsvatbaar’ werd genoemd.
1901, in Rotterdam
Maar was Karel Snijders wel de eerste ‘voetbaldode’ op een Nederlands veld? Andere bronnen, niét opgemerkt door Friso Schotanus, signaleerden eerder al een tiental doden als slachtoffers van fysiek contact, dan wel ruw spel. Zo werd reeds in 1901 in Rotterdam de eerste dodelijke verwonding genoteerd, voor zover bekend. In die reeks volgden nog negen andere slachtoffers, mede omdat de medici destijds nog geen oplossing hadden tegen het letsel aan nieren, darmen of hoofd. In sommige gevallen kwam het tot rechtszaken, maar veroordelingen bleven uiteindelijk (in hoger beroep), voor zover bekend, steeds uit.
Het laatste incident in deze categorie deed zich voor op Tweede Kerstdag 1949 in Tilburg. De keeper van het Bredase Antonius kreeg een dodelijke trap tegen het hoofd door een aanvaller van Zigo uit Tilburg, In een lang slepende rechtszaak werd onder meer aangevoerd dat de doelman een wel erg dunne schedel had. Uiteindelijk kwam het Gerechtshof tot de conclusie dat de aanvaller van Zigo geen schuld kon worden verweten. Vrijspraak dus.
Messteken
Messteken bleken eerder al fataal voor supporters, lang voordat Lassche en Picornie het leven lieten. In 1939 en 1946 werden supporters in Deurne (bij Helmond) en Helmond het slachtoffer van dodelijke steken bij caféruzies met voetbaldiscussies als inzet. In 1935 kregen twee halfbroers in het Noord-Brabantse Zevenbergen bij hun werk op het land ruzie over een voetbalwedstrijd. De twist eindigde voor de jongste met een fatale klap met een schop. Toeval of niet, allemaal geweldsdoden in dezelfde provincie, Noord-Brabant. Dergelijke incidenten kregen in de kranten van vóór en kort ná de Tweede Wereldoorlog slechts mondjesmaat aandacht; in het beste geval bood het verslag vanuit de rechtbank nog wat uitsluitsel over de toedracht.
Hoeveel anders was dat het geval met grensrechter Richard Nieuwenhuizen als hooligan-slachtoffer in Almere op 5 december 2012, bijna vijf jaar geleden nu. Op zijn dood volgde binnen een jaar, in de geest van de Hollandse leeshonger, zelfs een boek. De titel was veelzeggend, ontleend aan de laatste woorden van de grensrechter: ‘Wat een kutvoetbal, hè?’

HENK MEES
Twitter: @hmees

About Author

Leave A Reply