Voetbalgedachten op vrijdag – RW

In deze nieuwe rubriek geef ik elke vrijdag enkele voetbalgedachten over de voorbije week mee. Ik opende met mijn basisprogramma: The Magnificent Seven van de Open Voetbalclub. Zeven uitgangspunten om het Belgisch voetbal een nieuw elan te geven. Met dank aan denktank De Witte Duivel. Deze vindt u dus terug in de eerste aflevering.

 

 

  • Club Brugge lijkt op kampioenenkoers te liggen na de 6-0. Al kunnen we het huidige Sporting Charleroi nog moeilijk ‘een meerwaarde’ noemen voor ons voetbal. Het lijkt er ook steeds meer op dat het Felice Mazzu aan een tactisch ‘plan B’ ontbreekt: als het counterspel faalt, brengen de Zebra’s niets.
  • Ricardo Sa Pinto, de imitatie-Mourinho. Hij haalde de eikel in zichzelf weer helemaal boven met zijn uitspraak ‘Wij zijn mannen, geen vrouwen’. Daarmee praatte hij zijn relletje goed met Karim Belhocine, de hulptrainer van Anderlecht, in de spelerstunnel van Sclessin.
  • Laat ik het even over mijn favoriete coach hebben, al traint die zelden mijn favoriete clubs. Ik ben een bewonderaar van het werk van Pep Guardiola. Deze week won hij met Manchester City het kampioenschap in de Premier League. Zijn zevende landstitel in tien seizoenen na drie met FC Barcelona (2009, 2010, 2011) en drie met Bayern München (2014, 2015, 2016).  Ik volg zijn loopbaan al een decennium. In de zomer van 2008 kreeg hij, op advies van zijn mentor Johan Cruijff, als 37-jarige en zonder ervaring op het hoogste niveau toch de eindverantwoordelijkheid voor de selectie van FC Barcelona. Het vervolg van het verhaal is bekend. Iedereen weet dat Guardiola de visie van Johan Cruijff naar de 21 ste eeuw vertaalde. Zijn andere invloeden zijn minder bekend. Ik ging er zelf naar op zoek toen ik tien jaar geleden het boek ‘Barça, Baaarça! Droomvoetbal van Guardiola tot Messi’ schreef. Tussen 2006 en 2008 – men zou het kunnen zien als voorbereiding op zijn grote start – had Guardiola een aantal gedenkwaardige ontmoetingen met Argentijnse aanhangers van de romantiek. Helemaal in zijn stijl negeerde hij grote namen, maar zocht mensen van de tegenstroom: Angel Cappa, Ricardo La Volpe en Marcelo Bielsa. Cappa behoorde tot het genootschap van Luis César Menotti, de verdediger van het zogenaamde ‘verlichte’ voetbal in tijden van pest en cholera – lees de Argentijnse dictatatuur op het einde van de jaren zeventig. Cappa, l’idéaliste argentine, nam al de tijd die Guardiola nodig had om zijn begrippenkader aan te leren. Hij vertelde aan het Franse tijdschrift So Foot dat hij wel wist wanneer zijn voetbalgesprekken met Pep begonnen maar nooit wanneer ze zouden eindigen.

Guardiola vereerde ook Ricardo La Volpe met een bezoek. Die leidde Mexico op de wereldbeker van 2006 in Duitsland. Guardiola keek zich, als analist van de Spaanse krant El Pais, de ogen uit. Vooral de verdedigende positiesleutel nodigde hem tot reflectie uit. La Volpe liet elke aanval beginnen bij het passenspel tussen zijn verdedigers. Zo deelde La Volpe zijn methodiek mee: al spelend uitvoetballen, de spelers moeten samen met de bal opschuiven. Hij gaf sessies van een halfuur defensief balbezit: bij te snel of te slecht uitspelen, correctie en herbeginnen. Keer op keer. Tot zijn Mexico kon flirten met de elegantie, een liefdesverklaring aan de bal.

Na Cappa en La Volpe bezocht hij ook Marcelo Bielsa, de falende bondscoach van Argentinië op de wereldbeker van 2002. Hij hield van zijn biografie ‘De Gek’ en er ontstond een vriendschap met als basis hun voorliefde voor de zeer onafhankelijke, aanvallende 3-4-3-formatie. Maar de man van wie hij het meeste opstak was Juan Manuel Lillo, de voetbalcoach-filosoof. Een geboren Bask maar in zijn gedragingen wereldburger die de globe rondtrekt in gezelschap van zijn zevenduizend boeken. Op zijn vijftiende coachte Lillo al zijn eerste ploegje maar voor het overige lag zijn grote voetballiefde voor het grijpen in de zaal. Lillo onderwees ooit de 25-jarige Guardiola op diens verzoek in het door hem bedachte 4-2-3-1. Een soort natuurlijke voetbalordening, een structuur zonder systeem. Zo ook de voetballer: die was volgens Lillo voorbestemd voor vrolijkheid en vertier. Hij zocht op een manische manier naar het genot: het esthetische boven het effectieve. Hij verwierp het atletisch vermogen en de agressie. Hij verbood zijn doelman om uit te trappen, de positie en de opbouw, niets dan de positie en de opbouw. Vanzelfsprekend kreeg Lillo vaak het deksel op de neus. De conservatieve voetbalpers schoffelde hem in het verdomhoekje als ‘de intellectueel’ of ‘de zonderling’ of ‘de kwast’. Meestal kreeg hij de drie scheldwoorden tegelijk over zich heen. Ten hoogste gedoogde men hem, Lillo als de ‘romanticus’. Desondanks: Pep eerst hem als zijn maestro. Ik zet het even in het vetjes: ‘Mijn beste coach ooit.’ Waar heeft hij dan onder Lillo gevoetbald? Bij Dorades de Sinaloa, een Mexicaanse middenmoter waar niemand verder ooit iets van vernomen heeft. Guardiola voegde er welgeteld tien wedstrijden toe aan zijn lange loopbaan. Nadien hing hij de schoenen aan de wilgen. Omdat hij hoe dan ook ooit ‘onder Lillo’ wilde voetballen. Bij hem pikte hij op: de passie voor het schone spel, in de voorbereiding en tijdens de match. Daarom ziet men Guardiola aan de zijlijn al eens naar ingebeelde ballen trappen. Zou Lillo geen aanwinst zijn voor onze Belgische competitie? Zo heb ik het hier eens even over mijn favoriete coach gehad.

 

Hartelijk en tot volgende week,

Raf Willems

About Author

Leave A Reply