CLUB BRUGGE – FC LIVERPOOL 0-1, 10 MEI 1978, EUROPACUP DER LANDSKAMPIOENEN (3) – RW

Google+ Pinterest LinkedIn Tumblr +

 

 

 

Precies veertig jaar geleden trad Club Brugge in het strijdperk tegen FC Liverpool op het ‘heilige gras’ van Wembley. Het was het hoogtepunt én het eindpunt van de fantastische Happeljaren: landskampioen 1976, 1977, 1978; winnaar Beker van België 1977, halve finalist 1976 & 1978; finale Europacup I 1978 & Uefacup 1976, kwartfinale Europacup I 1977. Ik schrijf enkele jaren geleden de biografie van doelman Birger Jensen. Daarin vertelde hij over die memorabele 10 mei 1978 en hoe Club de zaken voorbereidde. In drie afleveringen op www.dewitteduivel.com

‘Bij topmatchen deden ze me niet in de doeken. Ik teerde op één gevoel: ‘Er kan me niets gebeuren vandaag.’ Mijn eerste redding op Wembley zat meteen snor: “Ja hallo, ik ben goed bezig.”

Door ons zwakte kwam ik voortdurend in balbezit. Dat gevoel kende ik. In normale omstandigheden verlegden we zelf het spel via onze libero Edi Krieger of onze backs Jos Volders en Fons Bastijns. Ik heb nooit zoveel uitgetrapt als op Wembley. Zelfs de balverliefde Krieger deed teken: ‘Sjot maar weg!’ Dat gold als vloeken in de kerk voor mij. We volgden, compleet tegen onze klassieke manier van doen, de tactiek van ‘laat maar komen’. Het grote geloof ontbrak, dus we hoopten op een counter. We voetbalden niet op ‘zijn Clubs’ en verdwaalden in de eigen beperkingen. Wembley was voor ons het eindpunt, niet het hoogtepunt. We teerden gedurende drie jaar op vrijwel dezelfde jongens. Club voetbalde die dag op de helft van zijn mogelijkheden. Zonder de belangrijkste schakel van het systeem: Raoul Lambert.

Ik stond voortdurend in de belangstelling en stopte een aantal ‘onmogelijke’ ballen. De ontgoocheling over het tegendoelpunt blijft me tergen. Ik heb de fase nog vaak herbekeken. Ik stel me de vraag: ben ik de te snel uit mijn doel gekomen? Op die wijze stopte ik eerder McDermott (twee keer) en dezelfde Dalglish goed af. De buitenspelval klapte hier niet dicht en ik was – op intuïtie – al vertrokken. Dat was mijn sterke punt: sneller denken dan de spits. Zaken zien voor de anderen ze zien. Dat is op zich een moeilijke materie voor een doelman. Ik dacht én reageerde een tiende van een seconde sneller dan de anderen. Die gave stak me vaak een handje toe maar in de fase van het doelpunt stond mijn anticipatievermogen mijn geluk in de weg. De grote meerderheid der spitsen – ik zeg zelfs 99 van de 100 – zullen bij de aanval links of rechts van de doelman trappen maar Dalglish waagde een lob. Hij slaagde waar anderen zouden falen. De bal belandde precies voor zijn voet. Was ik iets trager uitgekomen, dan had ik hem kunnen afblokken. Godverdoemme, was ik maar bij moeder thuis gebleven.

We zochten dan met de moed der wanhoop naar de gelijkmaker. We weten alles over de bal van Jantje Simoen die net voor de lijn werd gekeerd door Phil Thompson. Rolt die bal in het doel – en hij was met de nodige precisie getrapt maar net niet hard genoeg – dan is Simoen de enige spits die kan zeggen dat hij in alle reeksen heeft gescoord: van derde provinciale tot Wembley! Hij was onze supersub – de spits die het gaatje vindt – maar woog net iets te licht voor de finale. Vergeten is de mogelijkheid van Jan Sörensen. Hij kreeg een zuivere schietkans, maar verkoos het crochet. De typische dribbelaar. In de carré moet je knallen. Ik weet nog dat de immer zwijgende Happel deze keer in de kleedkamer wel sprak tegen Sörensen: “Sjotten joeng!” Dat was het oog van de meester. Hij zag de mogelijke gelijkmaker.

Ik wil het nog wel zien bij strafschoppen want ik had de sterke drang om me te bewijzen. Ze gingen me geen tweede keer vloeren hé. Het duurt een eeuwigheid als je de trap moet beklimmen om je verliezersmedaille te ontvangen. Miljaarde, dat is ver. Die zilveren medaille is wel schoon, maar ze blinkt niet zoals de gouden. Dan doe je plichtsgetrouw de ereronde en je groet de teleurgestelde fans. Je bedankt hen. De kleedkamer? Een begrafenis? Wat moet je zeggen? Iedereen zit voor zich uit te staren of naar zijn schoenen te kijken. Happel gaf me een vriendschappelijk tikje tegen het hoofd. Dan wist ik dat hij tevreden was over mijn prestatie.

Emoties bij winst of verlies? Vrijwel nooit. Op Wembley zag ik aan hem dat de nederlaag hem dwars zat.

Ik stak een sigaret aan. Happel deed daar niet flauw over. Hij hoestte zelf de hele kleedkamer bij elkaar. Toch een apart manneke. Wij hebben samen Club Brugge tussen 1975 en 1978 op de Europese kaart gezet. Twintig mensen: trainers, spelers, medische staf. Met de hulp van de fans. De bobo’s hebben daar geen bijdrage aan geleverd. Ze duwden zichzelf op de voorgrond.

Een bedevaart, een expeditie. Met net geen lachende gezichten bij het einde van de film.

Natuurlijk rest de vraag: What If? Met een Club Brugge in de topconditie van de halve finale tegen Juventus? Met een zichzelf lancerende Lambert? Met een controlerende Courant?

Stel dat onze spits Roger Davies rond nieuwjaar niet naar Engeland was getransfereerd maar zijn contract bij ons had uitgediend?

What If? So What! Het blijft mijn geliefkoosde reactie op het resultaat van een voetbalwedstrijd. Ook al speelden de sentimenten sterk bij mij op na het verlies. En tot vandaag heb ik maar één gevoel bij Wembley: het bloedt wel een beetje. Mijn blauwzwart hart.’

 

 

Share.

About Author

Leave A Reply