VAN HECTOR GOETINCK TOT RUUD VORMER: 15 LANDSTITELS TUSSEN 1920 EN 2018 – RW

Club Brugge won in 1920 zijn eerste landstitel. Bijna honderd jaar later, 98 om precies te zijn, tekende blauwzwart voor zijn vijftiende kampioenschap. Een wandeling in drie afleveringen van Hector Goetinck tot Ruud Vormer. Vandaag deel 1.

 

 

(1) 1920: KICK &RUSH MET TORTEN GOETINCK

Hector ‘Torten Goetinck’. De naam, de mythe. De blauwzwarte mythe. De eerste wereldburger van het Belgisch voetbal: hij reist naar Engeland en bewondert het kick & rush, ligt mee aan de basis van de Belgische 0-5 in Parijs 1906 waardoor de nationale ploeg de naam ‘Diables Rouges’ krijgt en coacht in 1930 diezelfde Rode Duivels op het eerste wereldkampioenschap in Uruguay. Goetinck geeft het Vlaamse, volkse Club Brugge zijn gezicht. Ondanks zijn liefde voor het Franstalige, mondaine Union, dé topclub van la belle époque, de bruisende tijd voor de Eerste Wereldoorlog.

‘Torten’ tekent op zijn zestiende voor de ‘Club’, het is 1902. Hij wordt ‘ontdekt’ als strandvoetballer. De volgende acht jaar blaakt de linksbuiten van vertrouwen: Club beukt en knokt zich op zijn Engels vier keer op de tweede plaats, driemaal na de Brusselse grootmacht Union en in 1911 is buur Cercle de spelbreker. De geruchten zoemen: een grote transfer naar Union is in de maak. Het wordt hem niet in dank afgenomen. Van dan af lokken blauwzwarte fans steevast rellen uit bij de komst van Union. Eén keer worden de riemen van de spelerskoets – een bus bestond simpelweg nog niet – van de Unionisten doorgesneden zodat alleen de paarden verder stappen. De koets – de spelers liggen op de vloer – krijgt een stenenregen over zich heen. In 1920 weerstaat Club de technische superioriteit van de Brusselaars en wint met 1-0, het sleutelmoment van het kampioenschap. Tijdens de Eerste Wereldoorlog reizen verschillende Brugse voetballers met The Front Wanderers door Groot-Brittannië en treden aan in Liverpool, Manchester, Birmingham, Londen en Glasgow. Onder leiding van Goetinck zakken ze mentaal gesterkt in 1919 terug naar het vaderland af. België lijkt op een ruïne. De zachtaardige Goetinck is een grappenmaker én een sturende persoonlijkheid. Zijn splijtende spurten én voorzetten, intussen van op de rechterflank, kraken de tegenpartij. Drieduizend fans gooien door het dolle heen hoeden en petten de lucht in om op 21 maart 1920 de eerste landstitel feestelijk te omkaderen. Getekend Torten Goetinck.

 

 

(2) 1973: BREUK MET DE AANVALSGOLF ONDANKS VIJF TOPSPITSEN

Nico Rijnders. Wint in 1971 de Europacup der Landskampioenen met het wonderbaarlijke Ajax van Johan Cruijff. Een grote toekomst lonkt. Twee maanden later strijkt hij in…Brugge neer. Nico Rijnders heeft een hartafwijking en de absolute top zal voor hem niet meer haalbaar zijn. In november 1972 zijgt hij, ogenschijnlijk zonder aanleiding, neer. Nico Rijnders heeft zijn laatste voetbalmatch gespeeld tegen FC Luik. Club verliest zijn vaardigste middenvelder. Deze schaduw wijkt niet meer. In de lente van 1972 verspeelt blauwzwart zeven punten voorsprong op Anderlecht – mét Rensenbrink – en verliest op een dramatische slotdag de titel.  De Nederlandse coach Canjels klopt op tafel en eist versterking. Club realiseert zware transfers: de gerenommeerde spitsen Ulrich Lefèvre, Ruud Geels, Johan Devrindt en de viriele voorstopper Georges Leekens. De blessurepech pookt de Brugse kachel aan: naast Rijnders zijn ook Lambert, Lefèvre en Johnny Thio weken buiten strijd. Leo Canjels legt het offensieve spel van voorganger Frans de Munck aan banden: telkens meer dan 70 competitiegoals en zwierige zondagen op de Klokke. Club ademt realisme en accentueert bij uitwedstrijden de voorzichtigheid. Gedaan met akelige nederlagen als gevolg van messcherpe counters. Club wint op zijn beurt op een diefje, net voor tijd, zoals bij Antwerp en Lierse. De heenronde biedt toch enkele flitsende passages: 2-0 winst tegen Anderlecht en 0-5 op Cercle. Zonder twijfel is het mooiste moment: de viering van de titel in het Astridpark, na 1-1 tegen Anderlecht. Amper 2 verliesbeurten, 7 punten voorsprong op Standard, een uitblinkende tandem libero Van den Daele en doelman Sanders. Op Canjels’ team kleeft het label werkvoetbal. Ondanks de vijf topspitsen Geels, Devrindt, Lambert, Lefèvre en Thio. De ongerustheid van spelmaker Pierre Carteus over de te tactische beslommeringen spreekt boekdelen. De feestkoetsen in de Brugse binnenstad zuigen duizenden fans aan. Op een hoekje van het podium lacht een man mistroostig. Zijn naam is Nico Rijnders.

 

 

(3) 1976, 1977, 1978: HAPPEL, HAPPEL & HAPPEL. DE WONDERJAREN VAN CLUB

Happel! Happel! Happel! Drie landstitels op rij: 1976,1977, 1978. In dezelfde periode: twee Europacupfinales (1976, 1978) en één kwartfinale (1977). Eén Belgische Beker (1977) en twee halve finales (1976, 1978). Even turven: 149 officiële partijen, waarvan 106 in competitie, 27 in Europa en 16 in de Belgische cup. In totaal 325 gescoorde goals, zijnde gemiddeld meer dan twee per match. De komst van de Wiener Weltmeister, in januari 1974, schudt Brugge, die schone wakker. De Weense pokerface gooit de ten aanzien van Brussel (Anderlecht) en Luik (Standard) hoog opgekropte Brugse frustraties overboord. Het resultaat staat als een huis. Met de successen komt over het hele land een spontane sympathiebeweging los. Club evolueert tot populairste team van Vlaanderen, waar altijd iets te feesten valt en de band tussen spelers en supporters bijzonder sterk wordt. Fanclubs schieten als paddenstoelen uit de grond en blauwzwart wordt de sportieve vaandeldrager van het in die periode sterk groeiende Vlaamse politieke en sociaaleconomisch bewustzijn. Het ordewoord van Ernst Happel luidt: tempo. Een moordend tempo! Iedereen gaat en blijft gaan. Met uitzondering van de Deense dribbelkoning en linksbuiten Ulrich Le Fèvre. Die gebruikt de door de provocerende schaker René Vandereycken ingelaste pauzes in het Brugse spel om, op basis van spectaculaire bewegingen het verschil te maken. Snelheid van uitvoering, gezonde agressie, collectiviteit. Happel eist de overgave aan het geheel, maar kneedt toch spelers met creativiteit in de voeten. Eens op toerental valt de Brugse aanvalsmachine niet meer af te stoppen. Wisselende posities in de spits, temporijke uitbraken over de flank, bewegingsspel in het middenveld. En een lefgozer op de libero. De veelvuldig voor zijn verdediging vertoevende Krieger zet vernuftig de buitenspelval open en zoekt met elegante passes genre Franz Beckenbauer de kortste weg naar het doel. Voor het dichten van de bressen zorgen Mac-the-Knife Leekens, die van Happel formeel verbod krijgt om de eigen speelhelft te verlaten, en de in geest en gedachten nauwer met het blauwzwart van Inter Milaan dan met dat van Club verwante Vandereycken. Zijn sluwe berekening laat Marathon Man Julien Cools en professor  Paul Courant toe om met respectievelijk lichamelijke inspanning én technisch zeer verzorgde infiltraties de spitsen Lambert en achtereenvolgens Van Gool, Davies en Sörensen op zeer gevarieerde wijze te sturen. In het doel staat de prettig gestoorde Birger Jensen, die voor het volk de volmaakte show verzorgt. En met zijn fabelachtige reddingen de herinnering voedt als beste keeper uit de blauwzwarte school. Club  op 1, Anderlecht op 2. Liefst drie jaar na elkaar. Ziedaar de erfenis van Ernst Happel.  

 

 

About Author

Leave A Reply