HAZARD: VOETBALLEN IN DE HOF VAN EDEN (1) – RW

Een jaar of vier geleden had ik het geluk – met dank aan de pedagogische begeleider van topspelers in spe Peter Smeets – om een tocht langs ‘de Belgen in de Premier League’ te maken. Ik sprak toen met ouders, ontdekkers, mensen van invloed én de speler zelf. Dat resulteerde in mijn boek ‘Sympathy for the Devils’. Een portrettenreeks over de gouden generatie. De volgende dagen brengen we enkele vertellingen opnieuw tot leven. We beginnen met de uitblinker van de wedstrijd tegen Tunesië: Eden Hazard!

Vandaag aflevering 1.

 

PASSAGE 1: BERINGEN, MIJNSTADION

“Laat ik eens een hamburgertent opzoeken,” zei ik tegen mezelf. In mijn achterhoofd speelde mijn engelbewaarder vloekend op: ‘Slecht voor je gezondheid, vriend. Gebrek aan karakter, nog niet papperig genoeg, makker?’ Hoepel op, schopte ik hem uit mijn gedachten. Telkens ik een versleten voetbaltempel-uit-mijn-jeugd bezoek, nodigt de hond van Pavlov me uit voor een hamburger. Die avond van 10 juni 2009 was het niet anders. In het knusse ‘Mijnstadion’ van FC Beringen schoof ik tussen honderden anderen aan bij de hotdogs en hamburgers aanprijzende marktkramer-met-vettige-schort. Meer dan 7000 waren er opgedaagd: voetballiefhebbers die een glimp kwamen opvangen van het nieuwe idool der Rode Duivels, naar aanleiding van de kwalificatiewedstrijd van de U19 tussen België en Zwitserland. De KBVB had in al haar wijsheid de deuren gratis opengezet en de tribunes waren tot de laatste stoel bezet. Iedereen wilde hem zien, het joch van de toekomst. Ik turfde hem in mijn notaboekje, zoals dat in het jargon heet, en kwam tot 36 balcontacten in de eerste helft, waarvan maximaal drie onzuivere. Hij deed er steeds iets deugdelijks tot briljants mee en trapte zonder enige zweem van twijfel een strafschop in de linkerbovenhoek. Het publiek scandeerde: ‘Eden Hazard, Eden Hazard, Eden, Eden, Eden Hazard.’

Behoorlijk populair, besloot ik. Ik zocht genoegdoening bij mezelf, zeker nadat mijn buurman informeerde voor welke topclub ik notities nam. Amper een jaar eerder had ik echter nog niets van hem vernomen. Zijn naam viel voor het eerst in de living van Julien Cools. Voor mijn boek ‘De eeuw van het Belgisch voetbal’ had ik hem geïnterviewd. Hij was tenslotte de aanvoerder geweest van de nationale ploeg die in 1980 de finale van het Europees Kampioenschap tegen West-Duitsland op het nippertje had verloren (2-1, laatste minuut kolossenkopslag Hrubesch achter Pfaff). De ‘Jenne’ schakelde als marathon-middenveld-man ook het legendarische Club Brugge van coach Ernst Happel naar het hoogste toerental, met onder meer Europese finales tegen FC Liverpool in 1976 en 1978. Een voetbalmens, met enig recht van spreken, die Julien Cools. Bovendien begeleidde hij als coach de U 15 bij de KBVB. Ik peilde even naar zijn toekomstvisie, ter afronding van het gesprek. Wie zou dé Belgische voetballer van morgen worden in zijn ogen? Zonder aarzeling klonk het: “Eden Hazard”. Ik stond daar met mijn mond vol tanden, het was winter 2008 en als zelfverklaarde ‘kenner-van-het-Belgische-voetbalverleden’ kreeg ik hier een naam voor de kiezen waar ik nog nooit van had gehoord. Dat kon ik niet over me heen laten gaan. Van dan af hield ik me nog met één ding bezig. Ik ging, vanuit enige obsessie,  ‘op zoek naar Eden Hazard!’. Op zijn Frans: à la recherche du Eden Hazard. Als dat maar geen verloren tijd zou worden. Zou ik hem vinden? Ik zou! Desnoods werd het een soort kruisweg met verschillende passages. De hamburger, net zoals het spektakel aan Beringen Mijn, smaakte die avond alvast naar meer.

 

 

PASSAGE 2: HET HUISJE NAAST HET VOETBALVELD VAN ROYAL STADE DE BRAINOIS

“Francis Hazard, kijk eens hier: dit is hij.” De voorzitter wijst met zijn vinger op een vergeelde foto naar een man met een ‘velouren vest’. Duidelijk een archiefbeeld uit de tweede helft van de jaren zestig, toen de délégué zich in een hoekje zette, naast de rij van de jonge voetballers. “De grootvader van Eden begeleidde een jeugdelftal als ploegafgevaardigde. Later werd hij gedurende twee decennia ‘directeur administratie’ en lid van de raad van bestuur.” Aan het woord is Alain Pauly, sinds 1995 president van de Royal Stade de Brainois, de fusievoetbalclub – ontsproten uit Union en Amicale – van het stadje Braine-le-Compte. Waar Ronquières met zijn hellend vlak deel van uitmaakt. We zitten in de Club 343, een verwijzing naar het stamnummer. Het is een soort loge achter glas voor genodigden. In de afgezonderde, raamloze bestuurskamer geurt het volgens nostalgisch gebruik naar koffie en taart. Alain Pauly haalt nog een andere foto van de muur en attendeert ons op een jonge kerel met wat halfwas baardgroei: “Voici, Thierry. Hij behaalde mee de titel in eerste provinciale van 1986. Tussen 1997 en 2009 zagen we hier ook de vier zonen over ons veld dartelen. Dat betekent dat de voorbije halve eeuw drie generaties Hazard zich met onze club verbonden.” Voorzitter Pauly is een aimabele man, die het allemaal gezien heeft in het leven. Zijn uiterlijk verraadt iets van de modieuze modernist met een jeugd in de vroege jaren zeventig: halflang haar, sjaaltje. Pauly vestigde zich als zelfstandige ondernemer met een bedrijf van twintig werknemers waar tekst en symboliek op glas werd gedrukt. Hij verkocht enkele jaren terug alle aandelen en nam achter de schermen belangen op in de plaatselijke horeca. Hij hanteert met mildheid de voorzittershamer, het voetbal dient om de mensen te amuseren en de jeugd van de straat te houden.

Het stadionnetje Stade Au Sans Fond – veertig stoeltjes op de staantribune en drie gradins aan de overkant – ligt tegen een metershoge in onbruik zijnde spoorwegbrug.

Het verhaal gaat dat de terreinverzorger een klein jongetje al koppend van het ene doel naar het andere zag lopen, op het moment dat hij het veld net had bijgezaaid. Daar legde hij de bal op de stip. De man zag naar verluidt zijn boosheid verdwijnen want hij geloofde zijn ogen niet: een zesjarige knaap schilderde de strafschoppen met een krulletje onder de deklat. En hij trapte ze blootvoets! Toen de terreinverzorger hem  naderde en hem wilde aanspreken, verdween hij vliegensvlug tussen de struiken van de tuin. Zonder een woord, ongrijpbaar, toen al.

Alain Pauly geeft toe dat hij op zaterdagochtend speciaal naar de jeugdwedstrijden kwam kijken voor Eden Hazard: “Hij was onze trots. Met onze kleine Stade stuntten we op het toernooi van Standard. We legden tegen de thuisclub de duimen in de finale maar ze gaven Eden de trofee van beste speler. Hij was wars van enige pretentie. Net zoals zijn ouders: charmante mensen, een modelfamilie. Zowel vader Thierry als moeder Carine gaven les als leraars lichamelijke opvoeding. Dat heeft hen zeker vooruit geholpen bij de opvoeding van de vier kinderen, de broers Eden, Thorgan, Kylian en Ethian. De bal was het centrale element van het gezin. De ouders van Eden stimuleerden hem en zijn twee broers om bij Stade te blijven. Overigens, ook moeder Carine verdedigde als spits de kleuren van onze vrouwenploeg. Haar zwangerschap van Eden duurde al drie maanden vooraleer ze besloot om te stoppen met voetballen. De hele familie is dus kind aan huis geweest bij Royal Stade de Brainois.”

Braine-le-Compte is een wat ingedommeld stadje van 10.000 inwoners, net over de taalgrens en voorbij Tubize. Het landschap glooit er: weilanden zonder bossen maar wel kanalen en kastelen. Weinig of geen industrie, veel landbouwgebied. De streek zat destijds geklemd tussen de staalfabrieken van Forges de Clabecq in de richting van Brussel en het steenkoolbekken van Le Centre rondom La Louvière. In de sport heerste er de cultuur van het kaatsen, la pelota – met elementen van honkbal en tennis – kende er een hogere populariteit dan het voetbal. Niet bij de bewoners van de twee huizen die écht aan Au Sans Fond grenzen: die van Hazard senior en junior. Ik verplaats me door de modder langs het stromende beekje tot aan het onooglijke houten bruggetje waarlangs ‘les frères Hazard’ stiekem het veld betraden. Het beekje verdwijnt via een riool onder de tuin van Thierry en Carine. Naast het gazon stapelen zich enkele gezaagde boomblokken op voor de houtkachel. Voor de bungalow rijst een hoge dennenboom op. In het midden van het terras staat een oude waterpomp. Tegen een muurtje schilderde vader Hazard met enige mislukte improvisatie twee doelpalen en een dwarsbalk. Een witte versleten voetbal ligt in het midden van het gazonnetje. Het winderige weilandschap aan de overkant is heuvelachtig. Ik denk aan de woorden van José Authom. De zestiger probeerde meer dan 25 jaar de jeugd van de Royal Stade in goede banen te leiden, na een lange carrière in het eerste elftal. Hij trok onlangs een streep onder zijn engagement vanwege problemen met de gezondheid maar hij herinnert zich Eden alsof het gisteren was: “Ik zag hem in het shirt van Suker op zijn tiende zijn twee jongere broers instructies geven voor het nemen van de strafschop. Hij trapte ze één na één in de bovenhoek. Hij was in zekere zin een talent dat niet te coachen viel want hij kon meer dan ik. Bij één van de eerste keren dat hij zich aanbood op het trainingsveld jongleerde hij zo’n 600 keer met het balletje. Het spektakel duurde dik twintig minuten. Hij had toen de leeftijd van een préminiem. Vader Hazard reageerde zeer rechtlijning: hij moeide zich nooit en weigerde alle aanbiedingen. Het spelplezier van zijn zoon stond op de eerste plaats. En spelen deed hij, want aan oefendiscipline had hij aanvankelijk een broertje dood. ‘Il joue avec tout le monde. Toujours, aves ses gamins là’. Dat doen er niet veel want spelers die beter zijn dan de rest, denken meestal alleen aan zichzelf. Als de training hem verveelde, trapte hij het wel eens af. Hij zat meteen in zijn tuin. Hij was te goed voor de anderen maar hij bleef bescheiden en zette zich nooit boven de groep. Integendeel, spelen om te spelen. Zo kenden we hier een kleine jongen die luisterde naar de naam Eden Hazard.”

 

 

 

About Author

Leave A Reply