OP BEZOEK BIJ GERSON, HET BREIN VAN BRAZILIE 1970 (1) – RW

Soms heeft een mens geluk in het leven. Vijf jaar geleden trok ik met François Colin enkele weken door Brazilië in voorbereiding van ons boek ‘Brasil 14. Waarom Brazilië altijd de te kloppen ploeg is’. In het gezelschap van onze gids Patrik Van Hove – die twee decennia sociale projecten in de favela’s steunde – bezochten we enkele grootheden uit het Braziliaanse elftal dat in 1970 wereldkampioen werd in Mexico. Deze ploeg werd in 2000 uitgeroepen tot het ‘team van de eeuw’. Niet eerder en niet later werd er mooier voetbal gedemonstreerd dan in de zomer van 1970. Ik smaakte het genoegen om te spreken met Gerson, de strateeg van het zogenaamde Beautiful Team van Brazilië 1970. Ik kan de namen nog uit het hoofd opsommen: Felix; Carlos Alberto, Brito, Piazza, Everaldo; Clodoaldo, Gerson; Rivellino, Tostao, Pelé, Jairzinho. Niemand presteerde ooit beter op een wereldbeker.  Vandaag aflevering 1.

 

 De grote Gerson. Zouden we hem kunnen spreken? Guanabara Bay. Terwijl we dit onszelf wijsmaken, zigzaggen we over de kilometerslange brug die het centrum van Rio de Janeiro verbindt met Niteroi, een voorstad van 500.000 inwoners en de rijkste regio van de staat. We gaan op zoek naar O Canhotina de Ouro – de gouden linkspoot – die in het echte leven Gerson de Oliveira Nunes (11 januari 1941) heet. En wereldwijde voetbalgekendheid geniet dankzij zijn voornaam: Gerson. Gids Patrik Van Hove (1966) van SOS Brazil heeft het enkel van horen zeggen want hij heeft de bravoure van het ‘Beautiful Team 1970’ niet ‘live’ op televisie gezien. De oudere collega’s zijn kenners. Toen hij hen vertelde van ons bezoek aan hem, antwoordden ze meteen: ‘Zonder Gerson, geen Pelé.’ De middenveldstrateeg van de Mexicaanse Mundial heeft zijn sporen in het collectieve geheugen verdiend. Voor mij was het op tienjarige leeftijd een ogenblik van extase: mijn eerste kennismaking met de wereldbeker. En wat voor één: meteen getuige zijn van wat in 2000 door specialisten werd omschreven als het ‘beste nationale elftal aller tijden’, met onder meer Pelé, Jairzinho, Rivellino, Tostao en Carlos Alberto. Op bezoek bij de denker van de ploeg, de heer G.. In het stedelijke sportcentrum huist het ‘Projeto Gerson’. De directrice van het project met zijn naam heet ons hartelijk welkom. Ze zal zich in de loop van het gesprek  voorstellen als zijn dochter Patricia. De kalende en kleine Gerson (1,70 m) komt even later brommend binnen en staat nog scherp voor een man van 72. Zijn agenda is voortdurend volgeboekt en zeker tijdens de Confederations Cup wordt er belang gehecht aan zijn mening als ‘televisie-analist’. De quote die mij achteraf bij zal blijven: “De essentie van het Braziliaanse voetbal, dat is voor mij: kinderen zien spelen op een slecht veld.” Het pure spelplezier staat bij hem voorop, in het huidige voetbal gaat dat vaak verloren, zo betoogt hij met passie. Aan de muur van zijn kantoor hangen prachtige historische foto’s van ‘Brazil 1970’ en van ‘Gerson met de wereldbeker’. In contrast met deze beelden: de ‘oude’ Gerson met een bal, tussen kinderen in de favela. Hij wijst naar artistieke affiches van kampioen Botafogo: “Ik regisseerde er van 1964 tot 1969 het middenveld. Ik vertoefde er terwijl Garrincha er afscheid nam en maakte de opkomst mee van zijn opvolger Jairzinho.” Hij toont me ook de shirts van Flamengo en Fluminense: “Ik stapte van een derdeklasser Cantor de Rio in 1959 over naar Flamengo en bleef er tot in 1963. Ik beëindigde mijn loopbaan bij Fluminense van 1972 tot 1974. Ik won met de grote drie van Rio vier keer het Campeonate Carioca, het deelstaatkampioenschap: in 1963, 1967, 1968 en 1973. En met FC Sao Paulo twee keer het Campeonate Paulista: in 1970 en 1971.” Gerson was goed voor 192 goals in 530 officiële duels en voor 28 in 96 interlands, een meer dan behoorlijk aantal voor een man op zijn positie. Ik kijk nog even in de kamer: warempel, een wimpel van Feyenoord! ‘Projeto Gerson’ kreeg als ondertitel mee ‘Instituto Canhotinho de Ouro’. Hier voelt ‘de linkervoet van goud’ zich thuis. Hij beaamt: “Ik verkies dit engagement boven mijn werk bij de televisie.” Een monoloog van het brein achter de ‘Brazilianen van 1970’.

 

AUREOOL VAN ELEGANTIE: ZIZINHO, DIDI, GARRINCHA

 

“Weet u van wie ik het meest heb opgestoken? Van Zizinho. Ik bewonderde hem als kind. Hij woonde ook in Niteroi en was de spelmaker van het wereldbekerelftal van 1950 dat in dramatische omstandigheden de eindwedstrijd van Uruguay verloor met 1-2. Ik denk dat Zizinho het prototype van de complete middenvelder is geweest: dribbelen, passeren, tweevoetig op doel trappen en een meester in de offensieve spelontleding. Pelé sprak lyrisch over hem en omschreef hem als Braziliaanse nummer één. Misschien komt hij wel in de buurt. Als kleine jongen spiegelde ik me, waarschijnlijk onbewust, aan Zizinho. Omdat ik bij Botafogo de opvolger werd van Didi, noemden de media mij aanvankelijk naar hem: ‘de nieuwe Didi’. Ondanks mijn respect voor Didi, verzette ik me tegen deze vergelijking. Ik verkoos mezelf te blijven en wilde enkel ‘Gerson’ zijn. Maar voor Zizinho doe ik tot vandaag mijn spreekwoordelijk petje af. Ik groet hem. Om terug te komen op Didi: ik had zeker feeling met zijn wijze van voetballen. Men noemt hem de uitvinder van het ‘futebol arte’. Ik plaats hem in mijn persoonlijke top drie: na Pelé en Garrincha. Om hen hing een aureool van elegantie, dat vandaag niet meer bestaat, zelfs niet in het Braziliaanse voetbal. In onze tijd voetbalden we vanuit ons hart. De wetten van de commercialisering legden het nog af tegen wat ik noem ‘the soul of the game’. Voetbal heeft zijn ziel verloren, ik weet niet of ik vandaag nog met dezelfde gretigheid zou aantreden als in mijn tijd.”

 

NIEMAND EVENAARDE HET NIVEAU VAN PELE, JAIRZINHO, RIVELLINO, TOSTAO

 

“De hele wereld bewierookte het elftal van 1970. Vanzelfsprekend mede door het effect van de kleurentelevisie, daar ben ik van overtuigd. Maar toch, mocht men de wereldbeker om de twee jaar organiseren in plaats van om de vier: we hadden met dit elftal van 1968 tot 1972 er drie op rij kunnen winnen, daar ben ik tot vandaag zeker van. In die periode kon geen enkele ploeg aan ons tippen. In de wereld evenaarde niemand het niveau van Pelé maar evenmin het niveau van Rivellino, van Tostao of van Jairzinho. De tegenstanders offerden twee spelers op voor Pelé maar dan kwam de ruimte vrij voor Jairzinho, Rivellino en mezelf. Zo creëerden we keer op keer vrijheid in het veld. Onze ploeg torende toen boven de concurrentie uit. Als gevolg van een langdurige samenwerking. Er stak een verhaal achter, een concept. We beleefden van 1968 af een groeiproces onder twee coaches: eerst Joao Saldhanha en nadien Mario Zagallo. De spelers van deze selectie kenden elkaar zeer goed. We waardeerden elkaar op het persoonlijke vlak, we wisten wie we waren. Er bestond een goede mix tussen oude (Pele, Felix, Gerson, Brito), ervaren (Carlos Alberto, Rivellino, Piazza, Everaldo) en jonge (Jairzinho, Clodoaldo, Tostao) spelers. De verhoudingen in de groep waren tamelijk harmonieus, zeker ook tussen ‘zwart’, ‘blank’ en ‘mulat’. Dat speelde Brazilië in het verleden wel eens parten. We gingen zeer vriendschappelijk om met elkaar. Ik heb in mijn hele loopbaan nooit zo’n hechte groepsgeest meegemaakt in een team als toen. Ik schat de wereldkampioen van 1958 hoger in qua individuele kwaliteit. Dat elftal bezat met Gilmar, Nilton Santos, Didi, Vava en Garrincha zeker de betere voetballers. Ik geloof dat ‘1970’ op gebied van collectieve ingesteldheid op een ander niveau presteerde.”

 

About Author

Leave A Reply