Wandelingen door het wereldvoetbal (1): Briljant Belgie in Glasgow…waar Schotland ooit basis legde voor Beautiful Game – RW

Genot in Glasgow. En dat was het! De Rode Duivels demonstreerden in Hampden Park, het moederstadion van het voetbal. Van hieruit vertrok rond de 1900 de reis van het mooie voetbal. De speurtocht naar the beautiful game!

‘The Scots were celebrating their religion: football!’ Zo benaderde de eerbiedwaardige kwaliteitskrant The Times in 1977 de enthousiaste Schotse fans die de doelpalen van Wembley uit de grond rukten na de overwinning tegen ‘Auld Enemey’ Engeland. Geen enkel volk ter wereld heeft zo’n obsessie voor het voetbal als de Schotten. Hun invloed op het spel is immens geweest.

De Schotten, onder invloed van de Ierse migratie, zijn met hun snelle samenspel op het einde van de negentiende eeuw de grondleggers van het artistieke voetbal. Het is afkomstig uit mijnwerkers- en arbeidersmilieus.

Ze transformeerden een obscuur winterspelletje van Engelse schooljongens naar de populairste sport ter wereld. Wat meer is: de Schots-Ierse (lees Celtic-culture-)oriëntatie en benadering – the passing game – werd een universeel begrip en legde de basis voor de artistieke stijl – the beautiful game – in alle uithoeken van de planeet.

‘Football in Scotland has always been principally the game of the working man.’

Dat is het standpunt van historicus Roddy Forsyth in zijn ‘The Only Game’, een vlotte geschiedschrijving van het Schotse voetbal.

Schotland-Engeland is de oudste voetbalklassieker ter wereld. De allereerste editie in 1872 trok het interlandvoetbal schuchter op gang. Het thema bleef steeds hetzelfde: de immer oplaaiende strijd tussen het gefrustreerde Schotse zelfbewustzijn en de Engelse laatdunkendheid. De Schotten zijn de grondleggers van het moderne voetbal. Ze introduceerden de eerste vormen van snel samenspel: the passing game. De Engelse term dekt beter de lading dan welke Nederlandse vertaling ook. De belangrijkste coaches uit de moderne Britse voetbalgeschiedenis zijn Schotse zonen van socialistische mijnwerkers en scheepsbouwers: Bill Shankly (FC Liverpool), Matt Busby (Manchester United), Jock Stein (Celtic Glasgow) en Alex Ferguson (FC Aberdeen en Manchester United). De in Europa succesvolle Engelse clubteams werden in de jaren zestig, zeventig en tachtig zonder uitzondering gedragen door Schotse strategen, vaak met Ierse roots, en solistische spitsen: Billy Bremner en Peter Lorimer (Leeds United), Denis Law en Paddy Crerand (Manchester United), Archie Gemmell en John Robertson (Nottingham Forest), Kenny Dalglish, Alan Hansen en Graeme Souness (FC Liverpool).

De (18 de) Eeuw van de Rebellie droeg ook de Schotse Verlichting in zich, een buitengewone explosie van creativiteit en energie. Edinburgh floreerde als intellectueel centrum van Europa, Glasgow was het belangrijkste handels- en industriecentrum van het Britse imperium. James Watt vond de stoommachine uit, Graham Bell de telefoon, de gebroeders Adam de macadam. John Cleese parafraserend zeggen de Engelsen: ‘After all, apart from inventing the steam engine, the telephone, the television and teaching us how to build roads, what have the Scots ever done for us?’

Het voetbal civiliseren én populariseren bijvoorbeeld. Het spel om de bal ontstond in het midden van de negentiende eeuw in Engeland. In zijn prilste vorm werd het beoefend door deftige gentlemen die elkaar beschaafd de bal betwistten. Ook de Schotten pikten de draad op, vooral om de schrijnendste armoede te bestrijden. Een oud gezegde klonk, vrij vertaald, als volgt: wil je voetballer worden, ga dan in de mijn werken. En de enige wijze waarop jongens konden ontsnappen aan dat levensgevaarlijke en uitzichtloze bestaan was door het beroepsvoetbal. In het Schotse mijnwerkersbekken rond Belshill genoot voetbal een ongekende populariteit tussen 1900 en 1930. Tijdens ‘The Great Strike’ van 1926, de grote mijnstaking, organiseerde het stakingscomité zelfs ‘The Soup Kitchen Cup’. De ‘Big Five’ van een eeuw Schots voetbal beleefden hun kindertijd en hun eerste werkervaringen in deze periode in deze streek: Hughie Gallagher, Alex James, Matt Busby, Bill Shankly en Jock Stein. De Schotse ‘working man’ koesterde zijn temperament, geloof in eigen kunnen en recht op eigen mening tegenover het gezag. Reeds lang voor 1900, en dus voor het ontstaan in andere landen van Europa, hadden de Schotse arbeiders al beslist dat voetbal hun sport zou worden: ‘the only game for them!’

De Engelsen legden de regels van het voetbalspel neer, de Schotten veranderden het voetbal. Ze verwetenschappelijkten het en gaven het een artistieke toets mee, zodat het publiek kon genieten.

Als vanzelfsprekend ontwikkelden de Schotten inzichten die haaks stonden op de Engelse voetbalvisie. ‘In 1872 waren de Engelse spelers officers and gentlemen, mannen uit de hogere klasse die neerkeken op het rapalje van de straat,’ schrijft Brian James in zijn naslagwerk ‘England v. Scotland’.

De Engelsen introduceerden het ‘dribbling game’ in het 1-1-8-systeem. Elke speler trachtte zelfgenoegzaam iedereen te dribbelen om dan te scoren. De anderen keken beleefd toe en applaudisseerden of ergerden zich. Later bedienden ze zich van de ‘lange bal’.

Brian James: ‘De Schotten bogen hun wetenschappelijke geest over het voetbal. Ze bedachten een simpele tactische innovatie: het “passing on game”, in het 2-2-6-systeem. Het gold als de uitvinding van het wiel voor het voetbal. The Passing Game bood het voetbal zowel wiskundige fundering als kunstzinnige verbeelding. De profspelers kregen in Engeland de bijnaam ‘The Scotch Professors’. De Schotten leerden samenspelen. De prilste interlands waren een clash tussen Engelse gentlemen en Schotse players. Met hun spectaculaire, superieure spel bezorgden de Schotten de Engelsen talrijke vernederingen. In de eerste twintig duels won Schotland elf en Engeland vier keer. De Schotten duwden er ook het professionalisme door. Na 1890 speelden 68 Schotse profs in de Engelse competitie. Het was een trend die zich in de hele twintigste eeuw zou doorzetten. Preston North End won de eerste kampioenschappen met een elftal vol Schotten.

In 1900 gold Glasgow als derde stad van Europa, na Londen en Parijs, en herbergde het de drie grootste stadions van de wereld: Hampden Park (nationaal), Ibrox Parx (Rangers) en Celtic Park (Celtic). De nationale thuishaven Hampden Park is enkele Europese toeschouwersrecords rijk: bij een interland Schotland-Engeland in 1937 (149.000) en bij een nationale bekerwedstrijd Celtic – Aberdeen in datzelfde jaar (146.000).

Het professionalisme bood Schotse jongens uit de arbeidersklasse de kans om de bittere armoede te ontvluchten en volkshelden te worden. Zonder ooit als gelijke te worden geaccepteerd door de Engelsen. Velen worstelden met de roem. Schotse topspelers koppelden een technische lichtvoetigheid aan een vechtersmentaliteit en een drang naar zelfvernietiging.

De Schotten gaven met hun ‘spirit of the Celts’ niet alleen de Engelsen een keurige voetbalopvoeding, ze doceerden tevens de rest van de wereld. Vier door de geschiedenis vergeten namen verdienen een historisch eerbetoon voor hun missioneringsdrift ten voordele van The Beautiful Game: John Madden, John Harley, Charles Miller en Jimmy Hogan. De laatste was een Engelsman met Ierse roots maar hing de Schotse ‘passing game’-gedachte aan. John Madden bleef na een Europese rondreis met Celtic Glasgow in Praag hangen. Hij vertoefde er van 1904 tot 1940 als coach van Slavia Praag en nam ook geregeld het nationale elftal onder zijn hoede. Hij gold als brein achter de Praags-Tsjecho-Slowaakse stijl die in de jaren dertig van de twintigste eeuw het meest gesmaakte voetbal van Europa voor het voetlicht bracht.

John Hurley verruilde in 1909 het grauwe Glasgow voor het montere Montevideo. Hij gooide er zijn ideeën letterlijk op straat. De donkere straatkinderen, die door de Engelsen niet werden getolereerd in hun clubs, pikten het passing game gretig op. Hurley passeerde eerste langs Buenos Aires, verspaanste zijn naam in Juan Harley, verbond zichzelf met het volkse Penarol dat hij tot in de jaren vijftig van zijn adviezen voorzag. Hij klom op in de sportieve hiërarchie van de Uruguyaanse voetbalbond. Het resultaat is bekend: Uruguay werd dé voetbalnatie van de jaren twintig. Met bijzonder spectaculair voetbal. Charles Miller was de zoon van een Schotse vader en een Braziliaanse moeder. Hij leefde tussen Sao Paulo en Santos. Hij en de uit Glasgow stammende Archie Mac Lean lieten het Braziliaanse voetbal ontwaken bij het begin van de twintigste eeuw. Geschiedschrijver Tomas Mazonni noemde Mac Lean in zijn ‘Historia do Futebol do Brasil’ als volgt: ‘een artiest en een waardige exponent van de Schotse school.’ Als eerbetoon aan de spelstijl van Charles Miller noemen de Brazilianen tot vandaag creatieve en onnavolgbare voetbalbewegingen ‘Chaleira’, zo toont Aidan Hamilton aan in zijn naslagwerk ‘The British Influence on Brazilian Football’.

Jimmy Hogan werd geboren in de streek van Lancashire, in de buurt van Manchester, als nazaat van Ierse inwijkelingen. Hij leerde in Londen het voetbal van ‘The Scotch Profs’ en droeg het als coach uit in Wenen en Boedapest. Samen met de vrijzinnig-joodse visionair Hugo Meisl deed hij Wenen als voetbalstad ontwaken. Hij stoffeerde Austria en het nationale voetbalelftal met zijn inzichten. Met als resultaat: het Oostenrijkse Wunderteam van de jaren dertig. Zijn diverse passages langs het joodse MTK Boedapest, met assistentie van ex-Celticspeler John Robertson, lagen aan de basis van het voetbal van de ‘Magic Magyars’ in de jaren vijftig.

De Schotse identiteit werd uitgedragen in het voetbal. Met de verspreiding van het passing game ruim honderdveertig jaar geleden reageerden de Schotten op het saaie, hovaardige en fysieke spel van de Engelse buren. Hiermee brachten ze een revolutionaire vernieuwing in het voetbalspel. De zoektocht naar de heilige graal van ‘the beautiful game’ begon in The Merchant City.

Het briljante België voegde er met de ruime 0-4 – de grootste Schotse thuisnederlaag sinds 1973 – een verhaaltje aan toe. Genot in Glasgow.

 
 

 

About Author

Leave A Reply