PROPERE HANDEN IN HET BELGISCH VOETBAL, EEN PERSOONLIJKE GETUIGENIS – KAREL MICHIELS

In augustus 1995 werd er een aanslag gepleegd op mijn leven. Jan Antonissen, toen freelance sportredacteur bij Humo, werd er bijna het slachtoffer van maar ik was wel degelijk het doelwit. Ik, die nooit een vlieg kwaad had gedaan en niemand kwaad toewenste. Ik, die eigenlijk van niks wist, want in het journalistenclubje dat rond het Belgisch voetbal hing, hoorde ik niet thuis. Twee, drie wedstrijden per week, iedere dag naar de trainingen, banale interviewtjes en beschouwingen: het was een kelk die ik graag aan mij liet voorbijgaan. Ik werkte voor een weekblad en mocht daar persoonlijke, zeg maar subjectieve verhalen schrijven over voetbal. Topvoetbal bovendien, waardoor ik er toch altijd bij was met dat selecte clubje. En dus ook als we op stap gingen met de nationale ploeg. Naar de Wereldbekers in Italië (1990) en de Verenigde Staten (1994), naar belangrijke kwalificatiewedstrijden, en zelfs op stage, zoals toen die keer in Aix-en-Provence, in de winter van 1995.

Er heerste in die dagen een subversief sfeertje onder de voetbaljournalisten. De afgang op de wereldbeker (in het bijzonder de verloren wedstrijd tegen Saoedi-Arabië) was nog niet verteerd en er werd lacherig gedaan over de recente aanstelling van Wilfried Van Moer als assistent van bondscoach Paul Van Himst. Ik had het gevoel dat de Rode Duivels wel degelijk een nieuwe start hadden genomen maar mijn enthousiasme werd getemperd door de ontnuchterende verhalen die ik ’s avonds aan tafel hoorde. Het ging over drank, gokken, vrouwen en zwart geld in het voetbal. Ik had zulke verhalen wel vaker gehoord in het milieu, even vaak aan de toog als op de perstribune, maar dit keer werd ik wel bijzonder getroffen. Er was sprake van een omkoopcircuit in eerste klasse, er werden zelfs namen genoemd van prominente spelers. Ik ga die op deze plaats niet herhalen maar twee van hen zijn nog altijd actief in het Belgisch voetbal.

Het verbaasde mijn collega’s dat ik nog nooit van die affaire gehoord had. Mij verbaasde vooral waarom zij er nog nooit over geschreven hadden, als het dan toch algemeen geweten was. Zo schreef ik het ook spontaan op in mijn reportage over de stage, en dat ik niet kon geloven dat de genoemde spelers zich schuldig zouden maken aan matchfixing (een woord dat we toen nog niet gebruikten). Met toevoeging van de drie namen, misschien niet echt verstandig maar dat paste wel bij de rock-’n-roll spirit van Panorama, een echt mannenblad. Dat was trouwens ook de reden dat we niet echt ernstig werden genomen in het wereldje, hoewel het journalistieke niveau en de betrokkenheid van de journalisten bij weinig kranten of bladen zo hoog lagen. Getuige daarvan de carrière die de meesten van ons later gemaakt hebben in de Vlaamse mediawereld. Maar wij waren nu eenmaal het blad van de babes op de cover. Daar konden toch geen serieuze journalisten werken?

‘Ik weiger dit soort geruchten te geloven,’ sloot ik de passage af. Nog een reden waarom de ‘serieuze’ pers ons niet ernstig nam: wij schreven in de ik-vorm. Dat hoorde niet in ons vak. Mij leek het net de ideale manier om feiten te scheiden van meningen. De lezers wisten waar ze aan toe waren.

Het artikel verscheen op 5 maart 1995. De volgende dag dreigde in Het Nieuwsblad één van de drie spelers met een proces maar meer dan die enkele regels in een zijkolom, en dan nog maar in één krant, was mijn ‘onthulling’ blijkbaar niet waard. Het was ook niet mijn bedoeling om te scoren maar ik vond het wel vreemd dat geen enkele collega zich geroepen voelde om het onderwerp verder uit te spitten, en nog vreemder dat mij plots het gevoel werd gegeven een nestbevuiler te zijn. Waren ze mij dan niet dankbaar dat ik een tip van de sluier had opgelicht over een affaire die hun eigen favoriete sport in een slecht daglicht stelde?

Zes maanden is Jan Antonissen in Lommel, voor een interview met Kalilou Fadiga en Jean-Claude Mukanya. Het gesprek loopt naar zijn einde wanneer Vic Hermans het spelershome betreedt, de trainer van Lommel. ‘Was jij niet de jongen die iets over X heeft geschreven?’ ‘Nee,’ zegt Jan, ‘dat was in Panorama. Ik werk voor Humo.’ Dat heb je natuurlijk met die weekbladjournalisten. Je ziet ze tijdens de training niet iedere dag langs de lijn staan, ze kennen zelfs de voorzitter niet. ‘Ach zo,’ zegt Hermans, en verdwijnt. Tien minuten later rijdt Jan weg uit het stadion. Hij merkt vrijwel meteen dat er iets loos is met het stuur. Het rechtervoorwiel maakt een vreemd geluid. Hij stopt en ziet dat het wiel een beetje schuin staat. Een vriendelijke buurman helpt Jan om de auto op te krikken. De bouten van het wiel zijn losgedraaid en iemand heeft een schroef in de band geduwd. In het rechterachterwiel zit een spijker. Eens op de snelweg zou Jan onvermijdelijk een klapband gekregen hebben. ‘Jij moet hier veel vijanden hebben,’ zegt de buurman.

Aan de telefoon voegde Jan er tegen mij nog aan toe dat hij geprobeerd had om klacht in te dienen bij de Lommelse politie maar die scheepte hem af met het excuus dat tegen ‘die van SK Lommel’ toch niks te beginnen viel. Omdat de voorzitter van de club ook de burgemeester was misschien?

Ik verwijt mijn collega’s niks, net zomin als ik de reis-, auto- en economiejournalisten kwalijk neem dat ze gewoon meedraaien in het systeem en hun sector zelden of nooit fundamenteel in vraag stellen. Zo werkt dat in de journalistiek, weet ik intussen. Don’t bite the hand that feeds you. Wie bepaalde zaken aan het licht wil brengen, wordt bewust gemarginaliseerd en zelfs geweerd uit het milieu. Kijk naar David Walsh, die Lance Armstrong ontmaskerde. Maar dat zou voor een krant of een ander medium net de reden moeten zijn om aan de sportredactie een onafhankelijke onderzoeksjournalist toe te wijzen. Iemand die niet dagelijks nieuwtjes moet garen en accreditaties krijgen, die niet afhankelijk is van persagenten en zelfs persbonden om zijn of haar werk te doen. Iemand die ‘meneer de voorzitter’ niet slijmend feliciteert met een overwinning. Ik ken eigenlijk maar één journalist van mijn generatie die al die jaren zijn onafhankelijkheid heeft bewaard, ook al (of misschien net daarom) schrijft hij vaak in de ik-vorm: Hans Vandeweghe, tegenwoordig bij De Morgen.

Het was niet de eerste keer dat ik persoonlijk geconfronteerd werd met de donkere kant van het voetbal. Wie herinnert zich nog Luc De Ryck, de talentvolle midvoor van tweedeklasser KFC Turnhout die in 1991 stierf na een experimentele behandeling met een nieuw zuurstoftoestel? Een technische fout van de dokter, heette het toen. Een paar jaar later kwam ik erachter dat de club de arts zwaar onder druk had gezet, met het oog op een lucratieve transfer van De Ryck, en dat de aanvoerder van de ploeg vorstelijk beloond was om te liegen. De invoerder van het wonderapparaat bleek een zakenrelatie te zijn van de voorzitter. Ik heb dat verhaal toen kunnen publiceren in De Morgen maar veel weerklank heeft het niet gekregen.

Enkele jaren na de aanslag in Lommel (ik kan het niet anders noemen) maakte ik samen met Paul Keysers voor P-Magazine, de opvolger van Panorama, een reeks over wantoestanden in het Belgisch voetbal. Jean-Marie Dedecker had ons een koffer vol documenten gegeven over dubieuze transfers en schimmige managers, zwart geld en onderhandse overeenkomsten, knipsels en contracten, een echte beerput vol stinkende informatie. Mij trof vooral de mensenhandel met overwegend Afrikaanse spelers, en de manier waarop ze hier ontvangen en behandeld werden. Soms door goed menende oma’s met een schort maar veel vaker door gewetenloze spelersmakelaars, bij de meeste clubs nochtans vriend aan huis.

We kregen van onze hoofdredacteur de vrije baan, zoals altijd bij P, en liefst vijf keer zes bladzijden in het magazine. Als dezelfde verhalen in De Standaard of Het Nieuwsblad hadden gestaan, zouden ze een schandaal veroorzaakt hebben, dat weet ik wel zeker. Maar daar hadden we ze dan weer nooit kunnen schrijven. Voetbalnieuws neemt elke dag in elke krant (behalve De Tijd) ettelijke pagina’s in beslag maar zelden of nooit gaat het over die donkere kant. Tot iemand ergens weer eens zo’n stinkend potje opentrekt.

Toen midden jaren 2000 het schandaal rond de gokchinees losbarstte, schreef ik nog amper over voetbal. Het plezier dat ik altijd aan het spelletje had beleefd, was geleidelijk vergald door de vele onfrisse praktijken die mij als insider ter ore kwamen en die ik lang niet altijd kwijt kon in de media. In dezelfde periode kwamen ook de eerste schandalen rond de FIFA aan het licht en ontplofte de transferhandel. De gokindustrie, zogezegd streng gereglementeerd, breidde haar activiteiten uit naar de sport en behoort nu samen met Inbev tot de belangrijkste sponsors van het Belgisch voetbal. Voor, tijdens en na elke wedstrijd worden we onophoudelijk aangespoord om te zuipen en te gokken. Stadions krijgen de namen van bedrijven, eerste klasse heet nu de Jupiler League. Alle media spelen het spelletje mee. Samen houden we die hele perverse machine aan de gang. Noem mij ouderwets of naïef maar met voetbal, het spelletje, heeft dat allemaal nog weinig te maken. En dan heb ik het nog niet over de totale vervreemding tussen spelers en supporters, niet alleen sociaal en financieel maar ook letterlijk. Hoe kun jezelf nog identificeren met een club als er bijna alleen buitenlanders op het veld staan, in België vaak huurlingen onderweg naar een grotere competitie? Dat is geen rechtse, xenofobe reflex maar een menselijke reactie op de zucht naar verbondenheid met een ploeg.

Toegegeven: sinds ik niet meer over voetbal schrijf, kan ik er wel weer volop van genieten, als het kleine kind dat je toch altijd moeten blijven om dat te kunnen doen. Ik ben best jaloers op de ware supporter die zijn clubje door weer en wind blijft steunen. Zalig zijn de onwetenden van geest, denk ik dan ook, in de allerbeste zin van het woord. Verstand op nul, behalve het compartiment voetbal. Het lukt me regelmatig, vorige zomer nog tijdens het WK in Frankrijk, of bij de beste Champions League-wedstrijden. Kom me dan niet lastigvallen met de belastingperikelen van Messi of aanklachten tegen Ronaldo. Mogi Bayat die onder één hoedje zou spelen met Herman Van Holsbeek? Ik wil het niet horen. Gefixte wedstrijden? Ik heb nooit anders geweten. Maar heb je die goal van Trossard gezien? Soms wil ik ook alleen maar een supporter zijn.

Karel Michiels is auteur en freelance journalist. Hij schreef boeken over 1968, reizen, voetbal, reggae, cannabis en comedy. Met Marieke Vervoort maakte hij in 2017 ‘De andere kant van de medaille’, haar levensverhaal in dagboekvorm.

 

About Author

Leave A Reply