RAYMOND BRAINE OVERLEED VEERTIG JAAR GELEDEN (25-12-1978) WAS HIJ DE BESTE BELGISCHE VOETBALLER? – RW (5)

Veertig jaar geleden overleed Raymond Braine (1907-1978). Maak kennis met het woelige leven van de vergeten eerste internationale vedette van het Belgisch voetbal. Vandaag slotaflevering met een nawoord van Roger, de zoon van Raymond Braine. Ik sprak hem ooit over het moeilijke leven van zijn vader na de voetballoopbaan.

NAWOORD VAN ROGER BRAINE, DE ZOON VAN RAYMOND

‘We keerden terug uit Praag in 1937. Vader was zeven jaar profvoetballer geweest en sloot zich van dan af opnieuw bij Beerschot aan. Hij ging op zoek naar een nieuwe baan en werd vertegenwoordiger van het automerk Chevrolet. Zo geraakte hij in de autobranche maar deze mensen verloren na de inval van Duitsland hun job. Er bestond destijds geen sociale zekerheid en daarom tekende hij een contract voor een dienst waar door de Duitsers aangeslagen wagens moesten worden geschat. Hij zat daar met veertig collega’s uit de sector. Dus, hij heeft voor den Duits gewerkt hé. Ge moest zoals iedereen aan de slag voor de boterham. Hij stopte er in 1943 mee, omdat hij kritiek kreeg, en dan werd hij trainer. Onmiddellijk na het einde van de Oorlog werd hij vastgezet op beschuldiging van samenwerking met de Gestapo. Totaal absurd! Er was geen enkele fatsoenlijke communicatie in die dagen en ook andere ex-topsporters zoals bokser Karel Sijs en wielrenner Jef ‘Poeschke’ Scherens verdwenen ten onrechte achter de tralies. Mijn vader verbleef achttien maanden in de nor. Dan werd hij vrijgesproken. Ineens. Er volgde nog een schijnproces. De vader van de latere gouverneur Camille Paulus heeft zijn dossier bestudeerd en behandeld. Die zei hem: ‘Braine, ofwel zijt gij schuldig en zal ik u kraken, ofwel zijt gij onschuldig en dan gaat gij vrijuit.’ Het werd het laatste, ze zijn bevriend gebleven tot het einde van hun leven. Vader kwam als een verbitterd en gebroken man uit de gevangenis. Wij kunnen nog steeds niet verteren dat men hem achttien maanden heeft opgesloten. Zo onrechtvaardig. Ik kan het zelf nog steeds niet begrijpen: ze hadden toch maar aan een échte Gestapo te vragen of Raymond Braine  in hun organisatie had gezeten? Er bestonden toch lijsten met namen en betalingen? Aanvankelijk heerste er willekeur en wetteloosheid. Mijn moeder bleef alleen achter, met drie kinderen. Ik was een puber van 15 en Vera en Luc waren pas geboren, in 1944 en 1945. Bovendien verloren mijn ouders in 1944 mijn zus Suzanne. Ze was van 1929 en stierf in 1944 plots aan een blindedarmontsteking. Ons gezin verkeerde dus in een dramatische toestand. In de voetballerij kreeg vader niet veel kansen meer. Hij werd zelfs van de bondslijsten geschrapt en verloor zijn voordelen als lid van verdienste. Ondanks het feit dat hij nooit werd veroordeeld, kreeg hij ook geen eerherstel. De roddels over het verleden – die niet op waarheid berustten – speelden ons ook parten. Ik herinner me een spel bij de scouts: we vertelden aan elkaar een nieuwtje door en op het einde klonk het verhaal compleet anders dan in het begin. Zo verging het ook mijn vader. We kregen het hard te verduren. Hij trainde kleine clubs zoals Mol Sport en Stade Kortrijk en in de jaren vijftig enkele seizoenen eersteklasser FC Beringen, ik speelde toen zelf even in het eerste elftal van Beerschot, maar volgens mijn vader kon ik er niet veel van. Maar een loopbaan maken zat er niet meer in. Met Beerschot was de breuk totaal. Hij voelde zich na de Tweede Wereldoorlog slecht behandeld door de voornamelijk Franstalige bestuurskamer. Hij verzeilde dus bij onder meer Stade Kortrijk. Voorzitter Ferdinand Boulez was een groothandelaar in verfproducten. Hij bood mijn vader, die in werkelijkheid dus zonder werk zat, een betrekking aan als verkoper. Hij nam het aanbod aan en maakte vele nieuwe klanten. De mensen gunden ‘Raymond Braine’ toch nog iets. In het begin van de jaren vijftig begonnen we samen aan een eigen handelszaak – een verfwinkel – maar aanvankelijk moesten we harde noten kraken. Vader had een drankprobleem, maar kon dat verbergen voor de buitenwereld. Ik moet iets ambetants zeggen: hij kon lullen hé! Hij was een sappige verteller, een Bourgondiër en had tenslotte een voetbalcarrière achter de rug waar de mensen nieuwsgierig naar waren. Dus tegen klanten vertelde hij leuke verhaaltjes, met de fles sterke drank in de buurt. De mensen vonden dat leuk. Hij leidde de zaak op bombastische wijze. Maar hij schreef een bestelling op die dezelfde avond moest worden geregeld en vergat die vervolgens uit te voeren. Ik moest dat in orde brengen. Zo herinner ik mij talrijke dingen, waarover ik niet zal uitweiden. Het is bijzonder moeilijk om met een verslaafde te leven. Mijn moeder heeft hier erg onder geleden. Zij was een wijze vrouw. Ze bemiddelde tussen ons als het minder ging. Ze verdient een standbeeld want zij moest toch alle dagen die benevelde mens, die slechts kwam eten als het hem zinde, met al zijn problemen opvangen. Ons gezin overleefde mede dankzij de financiële hulp van haar zuster. Ik weet zeker dat de gevangenisperikelen hem dit hebben aangedaan. Hij kropte dat op en praatte hij er nooit over. Dan kwam een wonderbaarlijke ommekeer. Hij moest een gevaarlijke operatie ondergaan en stopte van de ene dag op de andere met drinken. Van dan af geraakte ik terug in het reine met mijn vader, we werden zelfs goede vrienden. Onze zaak draaide goed.  Naar Praag is hij maar één keer kunnen terugkeren. Op het einde van de jaren veertig. Hij trok er naartoe met een bevriende groothandelaar in porselein. Met de bedoeling om enkele akkoorden op te zetten met plaatselijke bedrijven. Alles was toen al in handen van de communistische staat, dus ze keerden van een kale reis terug. Bij Sparta was ook het voormalige bestuur volledig verdwenen en hij kreeg niet de ontvangst die hij had verwacht. Dat deed hem veel pijn. Na zijn schitterende voetballoopbaan bij, vooral, Sparta Praag, en Beerschot spaarde het leven hem dus niet. Hij stierf op kerstdag 1978. Ineens, zomaar. Zijn aorta was gesprongen, zijn aderen zaten helemaal verkalkt, als gevolg van zijn kettingroken. Gelukkig had hij op het einde vrede met zichzelf. Maar niet met de kwaliteit van het voetbal. Hij foeterde voortdurend op de gebrekkige techniek, als gevolg van de slechte jeugdopleiding, en over het feit dat individueel initiatief van de spelers te veel aan banden werd gelegd door trainers. Aan de Gazet van Antwerpen vertelde hij in een afscheidsinterview bij zijn zeventigste verjaardag: “Het spel is te veel ingekapseld. Het biedt nochtans zoveel aspecten om het aantrekkelijk te maken en toeschouwers terug te winnen die zich thans vervelen en liever in de woonkamer blijven.” Zo bleef hij toch tot op het einde van zijn leven een voetbalfijnproever en een idealist.’

About Author

Leave A Reply