HET EPOS VAN DE BEKER MET DE GROTE OREN 1955 – 2020 De geschiedenis van de Europa Cup/Champions League (2) – RW

Google+ Pinterest LinkedIn Tumblr +

Aan de vooravond van jaargang 65 van de Europa Cup der Landskampioenen/Champions League schrijven we graag een beknopte geschiedenis van het belangrijkste voetbaltoernooi ter wereld. Hoewel Real Madrid vorige week een flink pak voor de broek kreeg van PSG blijft de naam van de Koninklijke verbonden met de Beker met de Grote Oren. In deze aflevering beschrijven we het eerste seizoen: 1955-’56. Real Madrid versloeg toen in de finale Stade de Reims met 4-3.

1955-’56: REAL MADRID, DE WITTE MYTHE VAN DE ZWARTE DICTATOR

De weg naar de finale

Op 4 september 1955 keken 30.000 Portugezen toe hoe de scheidsrechter het allereerste Europa Cup-duel tussen Sporting Lissabon en Partizan Belgrado op gang blies. De match eindigde onbeslist (3-3) en zes weken later nam Partizan Sporting te grazen met 5-2. De dubbele confrontaties werden naar keuze door de clubs verspreid over een periode van twee maanden. Real nam gemakkelijk de maat van het Zwitserse Servette en Stade de Reims drukte evenmin door tegen het Deense Aarhus.

Voor Sporting Anderlecht en PSV Eindhoven eindigde het sprookje al voor het begonnen was, na zware nederlagen tegen Vörös Lobogo Boedapest en Rapid Wenen. Stade de Reims en de Hongaarse kampioen verzorgden het beste spektakel van het toernooi in de kwartfinale na 4-2 in Frankrijk en 4-4 in Hongarije. Het champagnevoetbal vermengde zich met de kunsten van de Magische Magyaren. Real leek zich vlot een weg te banen naar de halve finale na een 4-0 tegen Partizan. Buiten het veld deden zich meer moeilijkheden voor, want tussen het communistische regime van Tito en het fascistische van Franco bestond geen diplomatie. In de sneeuwstorm van Belgrado schaatsten de balvaardige Partizanen zich op het bevroren veld – bij een temperatuur van min twaalf – binnen het uur naar 3-0. Real metselde de deur vakkundig dicht en kreeg een lading sneeuwballen over zich heen van het woedende publiek. Stade de Reims maakte meer indruk met een dubbele overwinning tegen Hibernian Edinburgh – de Schotse coach noemde Stade het beste elftal dat hij ooit zag – dan Real tegen het AC Milan van het Zweedse trio Grenoli (Grenn-Nordhal-Lindholm). De finale in Parijs bracht een onvergetelijke partij. Stade de Reims – onder aanvoering van Raymond Kopa die twee maanden eerder zijn overgang naar Real reeds met harde munt had beklonken – liep binnen de twintig minuten uit tot 2-0. Di Stefano en Rial vereffenden nog voor de pauze. Rond het uur pakte Reims het roer over maar met een afgeweken schot maakte verdediger Marquitos 3-3. Met zijn typerende versnelling bood Gento Rial de vierde goal aan. In een hevig slotoffensief knalde de Fransman Templin op de lat. Even later floot de Engelsman Ellis af. Real Madrid won goud. Don Bernabeu verdubbelde meteen het prijskaartje van een vriendschappelijke wedstrijd tegen zijn team.

Verhaal

‘Het echte geheim achter Real Madrid is de wijze waarop zorg wordt gedragen voor elke sterspeler. Wil een vedette zich in het zakenleven storten? Real adviseert hem financieel. Heeft hij een mentaal probleem? Dan staat er een psycholoog klaar. Haar te lang? Daar komt de kapper!’ Zo blikte de trotse voorzitter Don Santiago Bernabéu in 1960 in The Real Madrid Book of Football terug op het succes van zijn fantastische koninklijke witte brigade.

Op 12 juni 1956 stond daar Alfredo di Stefano in het kolkende Parc des Princes in Parijs. Namens Real Madrid liet hij de eerste Europa Cup voor Landskampioenen triomfantelijk in het avondlicht schitteren. De Argentijnse duivelskunstenaar wist wellicht niet dat hij daarmee een beslissende omwenteling in de voetbalgeschiedenis vorm gaf. Don Santiago Bernabéu begreep meteen de uitstraling van de Europese bekerstrijd. Hij tekende met veel innoverende initiatieven de krijtlijnen uit voor de onaanvaardbare heerschappij van de Koninklijke.  Gewiekste trucs ging hij niet uit de weg. Hij schenk elke scheidsrechter bij een Europese thuismatch een gouden horloge. In 1943 begon hij een voetbalarmada te boetseren die het oude continent onder de voet zou lopen. Tien jaar eerder greep hij de macht in de afglijdende voetbalclub. De president zette zijn Realideaal meteen op de sporen: een fonkelnieuw stadion dat 100.000 fans kon herbergen. De bankiers keken hem niet meteen uitnodigend aan en daarom lanceerde hij een supporterslidmaatschap voor ‘stenen’ om het stadion te financieren. Met nieuwe faciliteiten voor voetbal, zwemmen, tennis een sporthal en zelfs met een ziekenhuis. In 1960, op het hoogtepunt van de clubgeschiedenis, werd de laatste lening afbetaald. Raimundo Saporta kwam in 1952 over van de basketbalafdeling om minister van Financiën te worden onder Bernabéu – zo ernstig nam hij de job op. De vlam sloeg in de pan. Aan de fantasie van Bernabéu ontsproten de wildste ideeën. Saporta’s commerciële brein verzorgde – vaak met de noodzakelijke politieke steun – de uitvoering ervan.

Spanje viel na de Tweede Wereldoorlog uit de boot van het Amerikaanse Marshallplan – het internationale hulpprogramma voor de wederopbouw van Europa – als gevolg van zijn zogenaamde ‘neutraliteit’. In de praktijk papte generaal Franco aan met Adolf Hitler. Het Condorlegioen van de Luftwaffe bombardeerde, op verzoek van de Caudillo, in 1937 het Baskische stadje Gernika-Lumo (ook bekend als Guernica) tot puin. Het betekende voor de Democratische Republiek de genadeslag. Picasso vereeuwigde de laffe aanslag in zijn schilderij Guernica, als aanklacht tegen de oorlogsgruwelen. Franco’s fascistische dictatuur verkrampte het land tot bittere armoede, geknechte geesten en isolement in Europa. De aankoop van Di Stefano veranderde alles. Bernabéu begreep dat de Argentijn het ultieme stuk zou worden in de puzzel van zijn droomelftal. Niet gehinderd door boekhoudkundige limieten – Saporta kreeg van het regime de financiële vrije hand – ontstond ‘de witte mythe’.

‘The white purity of power and victory’ schreef Phill Ball in 100 Years of Real Madrid. Om hiermee de Madridistas hun verloren gevoel van macht terug te geven.

In zijn overzicht doet Ball de zeer omstreden toptransfer van Di Stefano naar Real haarfijn uit de doeken.

FC Barcelona diende een harde noot te kraken. De aartsrivaal, op dat ogenblik Spaans kampioen, keerde vier miljoen peseta’s uit het Argentijnse River Plate. Dat was Di Stefano’s club van oorsprong. Reals penningmeester Saporta counterde het vijandelijke overnamebod met een bedrag van 1,5 miljoen peseta’s aan het Colombiaanse Millionarios, waarvoor Di Stefano in 1952 uitkwam in een illegale profcompetitie die zich afscheurde van de wereldvoetbalbond. De FIFA volgde trouw de eigen regels en stelde Barcelona in het gelijk. Dat was buiten de waard gerekend: generaal Moscardo, een Francovolgeling binnen de Spaanse Voetbalfederatie, kwam prompt met een – zeer omstreden – nieuw reglement, dat de import van buitenlandse spelers aan banden wilde leggen. Zodat Di Stefano wel naar Real maar niet naar Barça zou kunnen. Moscardo omschreef alle onderhandelingen gevoerd voor de nieuwe gedragscode als ongeldig, waardoor de getekende overeenkomst tussen Barcelona en River Plate door de Spaanse voetbalbond als nietig werd verklaard. Bedenkelijke ingrepen uit Franco’s hofhouding deden Di Stefano uiteindelijk bij Real Madrid belanden, terwijl hij eerst op de Catalaanse loonlijst ingeschreven stond.

Di Stefano’s komst was een schot in de roos. Het markeerde het jaar nul voor Real Madrid. Hij bezorgde met zijn doelpunten en leiderschap zijn nieuwe club twee opeenvolgende kampioenschappen, in 1954 en 1955, de eerste sinds 1933. Niets bleef wat het was. Alfredo di Stefano zou zowel het Europese als het Spaanse politieke leven ingrijpend veranderen. Dictator Franco investeerde veel geld in het internationale concept van Real en Spanje schudde zijn pariaveren af dankzij internationale erkenning door zowel de Verenigde Staten als het Vaticaan.

DON SANTIAGO BERNABEU

Don Santiago Bernabeu (1895-1978) kneedde en knechtte Real Madrid tot het indrukwekkendste voetbalbolwerk ter wereld. Onder zijn even langdurige als strikte bewind, tussen 1943 en 1978 steeg Real naar ongekende hoogten. Hij profileerde zich als sportieve verlengstuk van dictator Franco. In de 35 jaar dat hij de scepter zwaaide, opereerde ook hij vanuit autoritaire alleenheerschappij en hanteerde hij spijkerharde tuchtmaatregelen. Bernabèu duldde geen greintje tegenspraak en zou aan bescheidenheid niet ten onder gaan. Hij trok aan de grootste verkeersader van de stad, de Paseo Castellana, een gloednieuw stadion op dat nog tijdens zijn leven naar hem werd genoemd. Op het einde van de jaren twintig werd Bernabèu de clubsecretaris van Real. Hij opende met een zeer gedurfde recordtransfer: de wereldberoemde keeper Ricardo Zamora. Hij werd de échte baas bij de Koninklijke op 15 september 1943. De voormalige midvoor van Real combineerde visionaire gedachten met toegang tot de binnenste ring van Franco’s machtscentrum. Bernabéu was tijdens de Burgeroorlog een trouwe soldaat van de Generalissimo geweest.

Hij verwierf als eerste in het voetbal het inzicht van het belang van een groot stadion. Voor die droom had hij een verzwakking van het elftal over en in 1948 vermeed Real ternauwernood de degradatie. Op 14 december 1947 opende het fonkelnieuwe Estadio Chamartin voor de 80.000 feestende toeschouwers. De president kon zich van dan af om de uitbouw van een groot elftal bekommeren. In 1952 viel zijn oog op Alfredo di Stefano, tijdens een vriendschappelijke wedstrijd tussen Real en Millionares uit Bogota. Na Di Stefano versterkte jaarlijks een nieuwe vedette de rijen: in 1954 de Argentijn Rial, in 1956 de Fransman Kopa, in 1957 de Uruguyaan Santamaria, in 1958 de Hongaar Puskas en in 1959 de Braziliaan Canario. Bernabéus elftal kreeg de flatterende bijnaam ‘het witte ballet’. De Francodictatuur had in deze witte sterren zijn boodschappers gevonden. De doelpunten, die op de staatsradio werden bejubeld, klonken als ‘Cara al Sol, de fascistische hymne’, schreef de geëngageerde dichter Eduardo Galeano.

In 1959 hield regeringsleider José Solis een opmerkelijke rede met een dankwoord voor de spelers: ‘Veel mensen die ons vroeger haatten, verheerlijken ons vandaag.’

Ook Bernabéu liet zich niet onbetuigd: ‘We bewezen een dienst aan het land. We droegen bij tot de tevredenheid van de bevolking.’ Real gold als ‘el equipo del regime’ en mocht vaak op audiëntie komen bij de generaal.

Share.

About Author

Leave A Reply