Met Grande Torino stierf op 4 mei 1949 de Italiaanse humanistische visie op het voetbal: de tragedie van Superga (deel 2) – RW

Google+ Pinterest LinkedIn Tumblr +

Een voetbalverhaal van oorlog en vrede (deel 2 van 4)

Op 7 mei 2020 zal het vijfenzeventig jaar geleden zijn dat de Tweede Wereldoorlog beëindigd werd. De story van Grande Torino is een voetbalverhaal van oorlog en vrede. Van ‘voetbal als oorlog’ – met agressie op het veld en de tribunes, zoals het fascisme het dicteerde. Versus ‘ voetbal als beschaving’ – met creatief spel en positief supporterschap, volgens de humanistische visie.

Op 4 mei 1949, vond één van de grootste tragedies plaats uit de geschiedenis van het wereldvoetbal. Het gezelschap van Il Grande Torino vloog te pletter tegen de basiliek van Superga boven Turijn. Meer dan 600.000 mensen woonden enkele dagen later de uitvaartplechtigheid bij.

Het verhaal van Il Grande Torino is een wonderbaarlijke parabel. Het is als een boek van de lach – over het herstel van het sociaal weefsel en het recht op individualiteit in het verweesde naoorlogse Italië – en van de vergetelheid, na twee decennia van fascistische indoctrinatie. In het boek ‘Torino and the Tragedy of Superga’ debiteren Alexandra Manna en Mike Gibbs dat het voetbal een belangrijke rol speelde in de gemeenschapsbinding van de verwoeste natie: ‘De prille democratie hunkerde naar een verfrissend politiek klimaat. Ze zag in het voetbal een vorm van hoopvol sociaal contact.’ Destijds droegen voetbalclubs nog een levensbeschouwelijke sfeer uit. Lazio en Internazionale verbrandden zich aan Mussolini’s Movimento. Juventus sympathiseerde met de christendemocratie. Torino speelde benefietwedstrijden ten faveure van de families van gevallen partizanen en verbond zich met de linkerzijde en het vrijzinnige liberalisme.

Voorzitter Feruccio Novo was een succesvol ondernemer. Hij runde met zijn broer een fabriek van lederwaren en greep in de jaren dertig stevig het roer in handen bij zijn geliefde Torino Calcio Football Club. Novo stamde uit de stroming van Il Risorgimento. De wieg van deze nationale en sociaal-liberale vernieuwingsbeweging voor vooruitgang, vrijheid en democratie schommelde van 1865 af in Turijn, het economische hart van wat later Italië zou worden. Ze symboliseerde de republikeinse onafhankelijkheidsgedachte. Ze liep stuk op de dictator, die Italië tussen 1922 en 1943 naar de afgrond zou drijven. Novo laveerde zeer behendig tussen zijn zakelijke belangen en zijn hartsgrondige afkeer van Mussolini’s blauwhemden. Hij voerde ‘stille oppositie’ tegen de Duce. Hij besloot om zijn bedrijfsmodel over te planten op de club, verzamelde zakenpartners met een purper hart en bouwde de eerste professionele voetbalstructuur van de Laars op.

Novo bleef daarmee in de geest van de 23 ontevreden Juventusleden die zich op 3 december 1906 afscheurden van de zwart-witten en onder leiding van de Zwitserse industrieel Alfredo Dick in het volkse café Birreria Voigt kozen voor het wapenschild van de stad: de stier, de Toro. De ‘paarse’ aanhang – de clubkleuren zijn wijnrood – stamde uit het arbeiderskwartier van de oude stad. Tot vandaag heeft Torino in Turijn meer fans dan Juventus. Veel werknemers van autofabriek  Fiat – in handen van de Juventusfamilie Agnelli – stemden op de communisten en steunden doorheen de tijd… Torino.

In 1938 contracteerde voorzitter Novo de in het Roemeense deel van het Oostenrijks-Hongaarse Rijk geboren en in Boedapest opgegroeide Ernest Egri Erbstein. Hij voetbalde in de jaren twintig enkele seizoenen in Italië en de Verenigde Staten. Van 1928 tot 1938 volgde hij de weg van ‘de migratie’: opklimmend van het arme zuiden naar het rijke noorden. Coach bij onder meer Bari en Cagliari en vijf jaar bij Lucchesse. Tussen 1933 en 1938 dwong hij twee opeenvolgende promoties af en Novo haalde hem naar Filadelfia, het stadion van Torino.

Hij verbleef er amper een jaar. In 1939 sloeg hij noodgedwongen – vanwege zijn joodse oorsprong – op de vlucht voor de antisemitische wetten van Mussolini. Hij dook vijf jaar onder in Boedapest en overleefde ondergronds tot de Duitsers hem alsnog arresteerden in 1944. Hij ontsnapte wonderwel uit de werkkampen en een desolate zwerftocht voerde hem opnieuw naar Turijn waar Novo hem na de geallieerde inval aan de borst drukte. Erbstein paarde zijn vooruitstrevende voetbalgedachten aan psychologische inzichten. Hij verspreidde de ‘joods-liberale’ voetbalboodschap van onder meer Hugo Meisl, de manager van het Oostenrijkse Wunderteam  in de jaren dertig. Hij streefde een rustbrengende relatie met zijn spelers na en liet zich boeien door hun privéleven. Dat stak schril af tegen de autoritaire houding van de andere coaches van die tijd. Erbstein hunkerde naar lichaamskunst. Hij verbood geweld op het veld. Hij verwachtte van zijn spelers dat ze brutaliteiten kleineerden met een superieure spelstijl. Hij stimuleerde de individuele begeleiding maar bouwde tegelijk een ijzeren conditie op. Zijn belangrijkste regel luidde: de beweging van de bal, gedragen door de genius.

Die genius was Valentino Mazzola. Hij controleerde alle onderdelen van het voetbal en groeide uit tot fenomeen, door de pers omschreven als Il Torino + Mazzola. Van dan af was de scudetto voor Torino. In zijn privéleven ging het hem minder voor de wind. De scheiding van zijn vrouw leidde tot toenemend Vaticaans verzet. Mazzola werd gedwongen naar Wenen uit te wijken om opnieuw te trouwen. Ondanks het schandaal was Valentino Mazzola een gevoelige man die de publiciteit schuwde en zijn emoties in dagboeknotities omzette. Zijn zoontje Sandro, in de jaren zestig een legende bij Internazionale, rende als mascotte van het team bij elke wedstrijd in het Filadelfiastadion als eerste het veld op. Dat was avantgardistisch van architectuur, gelegen in een volkswijk, en dus anders dan de klassieke bombastische fascistische stadions, met zelfverheerlijkende beelden, die gebouwd werden onder Mussolini. In het modernistische Filadelfia ervoeren de topclubs Juventus (5-0),

Lazio (5-1), Roma (7-0), Napoli (7-1), Fiorentina (7-2), AC Milan (6-2) en Internazionale (5-0) het mysterie van de genialiteit. Torino leed in achtentachtig opeenvolgende thuiswedstrijden geen enkele nederlaag en maakte gemiddeld ruim honderd doelpunten per seizoen. Op 15 mei 1949 nam een geëmotioneerd Filadelfiapubliek definitief afscheid van het glorieuze team. Het jeugdelftal won met 4-0 van de leeftijdsgenoten van Sampdoria en ontving in een ontroerende stilte de kampioensbloemen. Toro kwam de klap nooit te boven en dwaalde sindsdien tussen Serie A en Serie B. Met Il Grande Torino schitterde even de renaissance in het calcio, dat vervolgens de weg van het catenaccio insloeg.

4 mei 1949  zou de geschiedenis ingaan als de dag dat het Italiaanse voetbal stierf.

‘Ik bewaar nog steeds de kopie van de brief die mijn vader zond naar Valentino Mazzola om hem te vragen voor Torino te tekenen. We bevonden ons toen al in Boedapest maar mijn vader reisde geregeld in het diepste geheim naar Italië en stelde achter de schermen het elftal samen.’ Ze zegt het rustig, maar met opvallende kracht. Tussen de draden van het gesprek door, alsof ze zich bijna zestig jaar later nog steeds wil verantwoorden.

Lees morgen verder in deel 3.

Share.

About Author

Leave A Reply